Harry, gewoon Harry (Deel 12) (willekeurige variant op een parabel)

 

bullet-hole

Harry is ondertussen ook aan een kop koffie toe. Ward nog niet.

Uitermate bedachtzaam, met kleine zijwaartse passen en de rug tegen de muur  baant hij zich een weg doorheen het huis,  pistool strak in de aanslag.

“Clear,” roept hij, telkens nadat hij acrobatisch een deur voorbij rolt.

“Safe!”

Harry, die inmiddels is recht gekrabbeld, houdt hem hoofdschuddend in de gaten.

“Meen je dat nu echt, roep hij nu echt clear tegen zichzelf,” vraagt hij zich luidop af, terwijl hij enkele keren met de wijsvinger tegen de slaap tikt. Ward, die onraad meent te horen, maakt een vervaarlijke duikrol en vuurt een schot af in de richting van de stem die hij achter zich.

Harry is zo verbijsterd dat hij weinig anders kan dan stokstijf blijven staan en hopen op het beste. De kogel mist op een haar na zijn schouder en verdwijnt achter hem door een raam.

“Verdomme, Ward, ‘t is ik. Steek dat pistool weg voor er ongelukken van komen.”

“Gij zelf, verdomme, godverdomme! Wat is hier toch allemaal aan de hand? Zijn de gijzelnemers gevlucht?”

“Er is hier niks aan de hand! Er is hier niemand gevlucht. Er loopt hier wel ergens een halvegare, schietgrage agent rond. Ik weet niet wat hem bezielt heeft, maar hij schoot zopas nog het raam achter mij stuk!”

Het is met tegenzin dat Ward het pistool opbergt in de holster: “En toch klopt hier iets niet!”

“Koffietje?”

“God, ja, waarom niet?”

“Met een geut whisky?”

“Awel, ja, waarom niet!”

De kalmte van daarnet heeft plaats gemaakt voor trillende handen.

“Verdomme, Harry, wat is hier toch aan de hand? Je huis ligt er bij als een varkensstal. Je ziet er uit alsof je werd vertrappeld door een nijlpaard. Ik vond je wagen hier wat verderop: bloed aan het stuur en het portier nog open. ”

“Aja, dat is juist!”

Harry beseft hoe één en ander samengeteld wel wat verwarring kon veroorzaken. Hij verontschuldigt zich, en kijkt schaamtevol naar de grond.

“Ik heb een paar rotte dagen achter de rug, Ward.”

Ward pakt hem vast bij de schouders en zegt iets dat Harry terug aan het huilen brengt.

“Het is niet erg. Ik begrijp het. Kan het helpen als we samen de handen uit de mouwen steken en de boel hier wat opruimen? Laat wat licht binnen. Laat wat frisse lucht binnen. Probeer opnieuw. En weg met die drank.”

Ward graait de fles whisky van de keukentafel, haalt de kurk er af, een giet het goedje in de gootsteen. “Weg ermee!”

“Neen,” schreeuwt Harry uit:”dat is een fles van verschillende duizenden euro’s!”

Ward schrikt zich rot. En draait de fles zo vlug als maar kan terug rechtop. Hij ziet dat enkel de bodem nog goudgeel kleurt.

“In dat geval, sorry,” hij giet het laatste restje in zijn mond: “en gezondheid!”

Harry komt niet meer bij van het lachen.

“Ward, jongen, je bent toch uit speciaal hout gesneden, als ik dat zo mag zeggen.”

“Ik heb je daarnet bijna vermoord, dus je mag dat zo zeggen!”

“En, heb je toevallig zin om hier nog wat dingen stuk te schieten?”

“Ja, eigenlijk wel,” zegt Ward: “ik kan wel wat verstrooiing gebruiken.”

ga naar deel 13

terug naar deel 11

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Advertisements

Harry, gewoon Harry (Deel 8) (willekeurige variant op een parabel)

gebroken

Harry sluit het raam, wrijft wat spuug in de handpalmen en duwt daar zijn haar mee plat. Hij knoopt zijn kamerjas strak, haalt diep adem en sloft naar beneden. ‘Allez, het is dan toch nog geen woensdag,’ oordeelt hij.

Let er eens op, de volgende keer dat je in een gebroken glas trapt: het besef komt altijd eerst. Terwijl het glas zich pisnijdig weg kerft  doorheen eelt, vlees en pezen. Tergend traag gebeurt dat, en doorgaans in vaststellende wijs. Zo ook bij Harry. ‘Ha, ja, daar heb je het glas dat ik kwijt was vannacht.’  

Nadien pas komt de pijn op bezoek.  In scheuten. Onzalig klauwend naar het hart.

“Auch. Aai. Ajaj.”

Let ook hier op: het ergste moet dan meestal nog komen. Altijd zit de scherf te diep om ze zomaar te grijpen. Dat zou al te handig zijn, en zo zit het leven nu eenmaal niet in elkaar. Altijd is het poken en koteren. Altijd weer laat de scherf zich net niet vastpakken. En eerder dan ze er uit te halen drijf je de scherf dieper en dieper in het vlees. Hinkend op één been en inmiddels misselijk van pijn vind Harry in de badkamer ten lange leste een pincet.

Ok dan, hier gaaaaaaaaauw we! Vedomme, verdomme, verdomme.’

Pling klinkt de scherf op het porselein van de wasbak. De vloer lijkt inmiddels een plaats delict. En beneden heeft de wijkagent er schoon genoeg van.

Bong. Bong. Bong. Bong. Bong. Bong.

“Doe open. Politie!”

“Ik kom aaaaaf!” Trekkebenend en kermend van pijn rept Harry zich naar beneden.

Elke pas van zijn gehavende voet laat een bloedvlek achter. En ook als hij contact met de vloer mijdt, trekt het bloed toch nog fijne Pollock-achtige  slierten .

Bong. Bong. Bong.

“Ik kom! Ik kom! Ik ben er.”

Met de kracht van een buffel, en omgekeerd evenredig met wat zijn bierbuikje doet vermoeden, trekt wijkagent Ward Harry weg uit het deurgat. Met één enkele bruuske beweging werpt hij hem op de grond. “Blijf liggen en beweeg niet! Ik kom terug als de kust veilig is.”

“Maar de kust is veilig,” claimt Harry. Agent Ward hoort hem niet en is al binnen. Wapen in de aanslag. Behoedzaam en zelfzeker pas na pas.

terug naar deel  7

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Harry, gewoon Harry (Deel 7) (willekeurige variant op een parabel)

whisky-2619215__480

In deze toestand is Harry gewoon een vogel voor de kat. Hij weet dat en verzet zich daar niet tegen. Toegeven is beter. En de stukken van zichzelf raapt hij later wel een keer bij elkaar. Wakker zijn en slapen gaan naadloos in elkaar over. Dag genadeloos in nacht. De uren doen er niet meer toe.

Dingdong.  Dingdong. Dingdong.

Harry schrikt wakker op de grond naast het bed. Een halfvolle whiskyfles naast hem als metgezel. Het glas is zoek. Harry herinnert zich zoiets. Uren eerder was hij het glas ergens kwijtgespeeld. Hij zocht, maar kwam niet te weten waar hij het precies had gelaten.  Hij besloot dan maar om zich rechtstreeks van de fles pletter te drinken drinken.

Harry  voelt zich geradbraakt en zelfs ademen doet zeer aan zijn kop. Zijn schedelpan slaat open en toe. Languit schijnboksen dat lukt wel nog. Links, links. links, rechts. “Kom op, laffe hond,” maant hij God tot actie aan. Zijn laatste linkse heeft meer weg van een wegwerpgebaar: “Pfff, je durft niet.”

Dingdong. Dingdong. Dingdong.

Harry meende daarnet al iets te horen. Maar nu sijpelt de deurbel langzaam binnen. Moeizaam en met een beetje hulp van de bedrand krabbelt hij recht.

Dingdong. Dingdong. Dingdong.

‘Niet te geloven dat het al woensdag is,’ denkt Harry bij zichzelf: ‘gisteren was het nog maandag.’ Hij bedenkt een smoes om Agnieszka, de poetsvrouw, wandelen te sturen, terwijl hij naar een raam waggelt.

De zon zeurt nijdig aan zijn kop. Hij wendt zijn blik af om zonlicht te mijden en om zijn gedeukte kop te verstoppen.

“Agnieszka, ik ben een beetje ziek. Je hoeft vandaag niet te poetsen. Volgende week ook niet. Maar ik maak het geld zeker over op….”

“Harry, ‘t is Ward.”

Harry buigt zich over de vensterbank. En inderdaad het is Ward, wijkagent sinds jaar en dag  en immer goedlachs, zelve die daar beneden staat te blinken. Hij ziet de gezwollen aanblik, en jaren van paraatheid en training werpen meteen hun vruchten af.

Zelfzeker legt Ward een hand op zijn holster, en behoedzaam zet hij een stap achteruit om de situatie in te schatten en zicht te krijgen op de ernst van deze onverkwikkelijke zaak. Ongetwijfeld een gijzeling.

“Harry, knipper met je ogen als je in gevaar bent! We zijn er voor jou.”

“Ik krijg mijn ogen niet toe en jij bent hier helemaal alleen, want ik zie je fiets tegen de haag staan,” werpt Harry terug naar Ward, die zich inmiddels met zijn schietijzer in de aanslag achter een buxushaag verschanst heeft.

“Maar geen nood. Er is geen gevaar. Berg dat ding alsjeblief op. Straks vallen er nog gewonden. Ik kom naar beneden.”

klik hier voor deel 8

terug naar deel 6