Hurricane Willem (3) english version

Willem was still just Willem, when his father died. Many still called him little Willem. A far cry from a hurricane in the making.  But a young lad who felt deeply ashamed of the thoughts swirling around in his head.

‘You little sneak, that’s just great. Now is really the time to bring this to me. Your deathbed is really the place to bring me this.’

Willem had noticed that Ephraim Cohen, his father and proud owner of Radio Shalom, found it increasingly difficult to find the strength to get out of his bed every morning. And the young Willem knew, as his father summoned him to come closer, that is was going to be a farewell. A last father-son moment, just like there had been a last mother-son moment some years earlier.

“Take care of your father,’ she had asked, and she closed her eyes for all eternity, before Willem could say yes. Willem held her hand and promised that he would.

And now, the same tranquil scene: a house on a rise somewhere lost in a landscape between two rivers, a sick bed in the living room, the scent of disinfectant, a frail being with thick purple grey veins draped over a hastily aged body, an untidy forearm tattoo, a number in the same vague color, the same never-have-talked-to-each other about what happened during the war.

The smothering weight of unspoken years. That’s how Willem was brought up: in deafening silence, lovingly deprived of the holocaust.

“You have to continue my work, it is important that you continue my work.”

Willem became even more ashamed, when he spoke out loud his venomous thoughts. “You little sneak! All this years you play mute about the war. And now all of a sudden I have to continue your work. I don’t know anything about this atrocious war of yours, apart from what I learned in school.”

“That’s enough to suffice’

From under his pillow Ephraim pulled a keyring.

“Radio Sjalom is yours now.”

“And now all a sudden I have permission to enter the barn?”

“Yep, it is yours. Here, take the keys.”

From under the same pillow he also pulled a brown envelope.

“The enclosed matter will protect you.”

“How exactly? Whom from? Against what? For God’s sake, why do I need protection by an envelope? Is this a last joke, dad?”

“I’d rather you don’t know what is in it. But used it, show it, every time Radio Sjalom is in trouble. That will happen much more often than you would like. The war is long gone, but people still don’t like us.  We are a people in great danger.”

“Dad, you can’t do this to me. I don’t know anything about our people in danger.”

“Promise me!”

Teary eyed Willem looked at the frail being that had been through a lot. With a lump in his throat Willem promised that he would continue his father’s work.

“How do I go about it all? Will you stay here just a little longer to teach me? Or will the light go out soon, like mother?”

“You will learn fast. All answers are to be found in the barn. And you’re not alone. I’ve made sure of that.’

It went like with mother. The same stillness. The same day Ephraim’s light went out. Willem was ashamed no longer about his words and thoughts: “Sweet sneak. “Don’t do this to me. Bastard. Don’t do this to me. Sweet, sweet bastard.”

In his one hand the new owner of Radio Sjalom held a keyring, in his other a brown envelop.

There he sat, son of Sara and Ephraim, for hours. All alone. Alone with his grief. The hardest grief there is. Grieve that already has been grieved. Tears that already have been shed.

“Your daddy and I won’t be around for much longer.” Mother had said it often enough: “We are ghosts. Only the irrepressible strength of our youth helped us to survive the camp. But to little remained to continue living life at its fullest. Let us never speak of this again.”

next chapter 

Advertisements

Hurricane Willem (3)

Tijdens de laatste levensuren van zijn vader zijn was Willem nog gewoon Willem. Voor sommigen zelfs nog Wilmke.

Nog lang geen Hurricane in wording. Maar een jongeman die zich diep schaamde om de gedachten die er door zijn hoofd flitsten. ‘Jij kleine geniepigaard, fraai is dat, dat je daar nu mee komt aanzetten, dat je daar mee wacht tot op je sterfbed,’ dacht hij.

Het was Willem de voorbije maanden niet ontgaan dat Ephraim Cohen, zijn vader en de trotse eigenaar van Radio Sjalom, het steeds moeilijker had om kracht te vinden en ‘s ochtends op te staan. De jonge Willem wist al te goed, toen vader hem aan het bed sommeerde dichterbij te komen, dat het was om afscheid te nemen. Een allerlaatste vader-zoon moment, zoals er ook een allerlaatste moeder-zoon moment was geweest enkele jaren eerder. “Zorg goed voor je vader,’ had ze gevraagd, en haar ogen sloten zich voor de eeuwigheid, nog voor Willem ja kon zeggen.

Willem hield haar hand vast en beloofde dat hij dat zou doen. En nu, precies hetzelfde verstilde tafereel: een huis op een heuveltop ergens plomp verloren midden twee rivieren, een ziekbed in de living, de geur van ontsmettingsalcohol, een tenger wezen met dikke paars-grijze aderen gedrapeerd over een overhaast oud geworden lijf, een slordig getatoeëerd nummer op de onderarm in dezelfde onbestemde kleur, het nooit met elkaar hebben gepraat over wat er zich in de oorlog had afgespeeld.

Het verstikkende gewicht van onuitgesproken jaren. Zo was Willem groot geworden: oorverdovend stil, en liefdevol verstoken van de holocaust.

“Je moet mijn werk verder zetten, het is belangrijk dat je dit werk verder zet.”

Willem schaamde zich nog meer, toen hij het zich niet kon laten om die venijnige hersenspinsels in woorden om te zetten: “Jij kleine geniepigaard! Al die jaren rep je met geen woord over de oorlog. En nu moet ik plots je werk verder zetten. Ik weet niks van die verdomde oorlog van jou, behalve dat wat ik op school heb geleerd.’

“Dat is genoeg!”

Vanonder het kussen haalde vader een sleutelbos.

“Radio Sjalom is nu van jou.”

“En nu mag ik plots wel binnen in de schuur?”

“Ja, de studio  is van jou nu. Neem de sleutels.”

Vanonder hetzelfde kussen haalde Ephraim ook een bruine envelop: “De inhoud van deze  envelop zal je beschermen.”

“Hoe dan wel? Tegen wie? Tegen wat? In godsnaam, waarom moet ik beschermd worden door een envelop? Is dit je laatste grapje, paps?”

“Het is beter voor je dat je niet weet wat er in zit. Maar gebruik hem, toon hem elke keer als Radio Sjalom in de nesten zit. Dat zal vaker gebeuren dan je lief is. De oorlog is lang voorbij maar de mensen  hebben ons nog steeds niet graag! We zijn een volk in nood”

“Paps, je kan me dit echt niet aandoen. Ik weet niks over ons volk in nood! ”

“Beloof het!”

De tranige ogen van Willem gleden over het frêle mannetje dat al zoveel had meegemaakt. En met een krop in zijn keel beloofde hij Radio Sjalom verder te zetten.

“Hoe begin ik er in aan? Blijf je nog even hier om het me te leren. Of gaat straks al  het licht uit, zoals bij mama?”

“Je zal snel leren. Je vindt alle antwoorden in de schuur. Je staat er ook niet alleen voor. Daar heb ik voor gezorgd”

Het ging verder zoals het bij mama was gegaan. Dezelfde verstilde foto. Nog diezelfde dag ging het licht uit bij Ephraim. Willem schaamde zich niet langer over zijn woorden en gedachten:”‘Lieve geniepigaard. Doe me dit niet aan. Rotzak. Lieve, lieve rotzak, doe me dit niet aan!”

In zijn ene hand had de nieuwe eigenaar van Radio Sjalom een sleutelbos, in het andere de bruine envelop. Daar zat Willem, de zoon van Sara en Ephraim, urenlang alleen.

Alleen met het moeilijkste verdriet. Verdriet dat al is geleden. Tranen die al zijn geweend.

“Paps en ik houden het hier niet lang meer vol, jongen,” had moeder vaak genoeg gezegd:”We zijn geesten. Alleen de ontembare kracht van onze jeugd hielp ons het kamp te overleven, maar er bleef te weinig van over om verder mee te leven. En laat er ons verder niet meer over speken.”

Druk hier voor deel 4