Harry, gewoon Harry (Deel 7) (willekeurige variant op een parabel)

whisky-2619215__480

In deze toestand is Harry gewoon een vogel voor de kat. Hij weet dat en verzet zich daar niet tegen. Toegeven is beter. En de stukken van zichzelf raapt hij later wel een keer bij elkaar. Wakker zijn en slapen gaan naadloos in elkaar over. Dag genadeloos in nacht. De uren doen er niet meer toe.

Dingdong.  Dingdong. Dingdong.

Harry schrikt wakker op de grond naast het bed. Een halfvolle whiskyfles naast hem als metgezel. Het glas is zoek. Harry herinnert zich zoiets. Uren eerder was hij het glas ergens kwijtgespeeld. Hij zocht, maar kwam niet te weten waar hij het precies had gelaten.  Hij besloot dan maar om zich rechtstreeks van de fles pletter te drinken drinken.

Harry  voelt zich geradbraakt en zelfs ademen doet zeer aan zijn kop. Zijn schedelpan slaat open en toe. Languit schijnboksen dat lukt wel nog. Links, links. links, rechts. “Kom op, laffe hond,” maant hij God tot actie aan. Zijn laatste linkse heeft meer weg van een wegwerpgebaar: “Pfff, je durft niet.”

Dingdong. Dingdong. Dingdong.

Harry meende daarnet al iets te horen. Maar nu sijpelt de deurbel langzaam binnen. Moeizaam en met een beetje hulp van de bedrand krabbelt hij recht.

Dingdong. Dingdong. Dingdong.

‘Niet te geloven dat het al woensdag is,’ denkt Harry bij zichzelf: ‘gisteren was het nog maandag.’ Hij bedenkt een smoes om Agnieszka, de poetsvrouw, wandelen te sturen, terwijl hij naar een raam waggelt.

De zon zeurt nijdig aan zijn kop. Hij wendt zijn blik af om zonlicht te mijden en om zijn gedeukte kop te verstoppen.

“Agnieszka, ik ben een beetje ziek. Je hoeft vandaag niet te poetsen. Volgende week ook niet. Maar ik maak het geld zeker over op….”

“Harry, ‘t is Ward.”

Harry buigt zich over de vensterbank. En inderdaad het is Ward, wijkagent sinds jaar en dag  en immer goedlachs, zelve die daar beneden staat te blinken. Hij ziet de gezwollen aanblik, en jaren van paraatheid en training werpen meteen hun vruchten af.

Zelfzeker legt Ward een hand op zijn holster, en behoedzaam zet hij een stap achteruit om de situatie in te schatten en zicht te krijgen op de ernst van deze onverkwikkelijke zaak. Ongetwijfeld een gijzeling.

“Harry, knipper met je ogen als je in gevaar bent! We zijn er voor jou.”

“Ik krijg mijn ogen niet toe en jij bent hier helemaal alleen, want ik zie je fiets tegen de haag staan,” werpt Harry terug naar Ward, die zich inmiddels met zijn schietijzer in de aanslag achter een buxushaag verschanst heeft.

“Maar geen nood. Er is geen gevaar. Berg dat ding alsjeblief op. Straks vallen er nog gewonden. Ik kom naar beneden.”

klik hier voor deel 8

terug naar deel 6

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Harry, gewoon Harry (Deel 6) (willekeurige variant op een parabel)

oprijlaan

Het eerste daglicht wurmt zich gretig door spleten en kieren. Harry slaat zijn armen rondom zijn hoofd. Maar alleen op een bed voor twee er is geen ontsnappen aan de dag.

Harry krijgt zijn ogen niet volledig open en ook niet volledig dicht. Onscherp start hij de rituelen van de ochtend: koffie en een boterham. Muziek in de goede volgorde schudden lukt ook al niet niet vandaag.

Happy Hour: te vrolijk.

Nine While Nine: te vrolijk.

A Hundred Years: te lichtvoetig voor de dag.

Harry weet dat het weer zo’n dag wordt en legt de i-pod opzij. Ongewassen. In kamerjas. Rolluiken dicht. En hopen dat de volgende minuut sneller gaat dan de vorige. En hij weet al te goed dat Samia het zou haten dat hij zo doet. Aan haar sterfbed had hij nog stellig beloofd om sterk te zijn en er hier nog iets van te maken. Samia drukte hem op het hart dat hij zelfs iemand anders mocht vinden: “Aan die uitgemergelde borsten van mij heb je de laatste tijd niet veel gehad, schat!” Tot haar laatste ogenblik was Samia ontzettend sterkt.

Geen haar op zijn hoofd sindsdien al eens aan een ander dacht. Ook al is het monster van de eenzaamheid is vaak sterker dan hij ooit had verwacht. Het liefst zou hij sterk zijn en de man zijn die hij vroeger was, maar daar komt hij vandaag niet toe. Alleen loslaten past nog bij het lege huis en de lange dag.

Hij gooit het met zichzelf op een akkoordje, terwijl hij loslaat: morgen herpakt hij zich. Harry pinkt een traan weg. Hij weet dat het een leugen is. Vorige keer liep hij zo drie weken rond. Ongewassen. Ongeschoren. Handen diep in de zakken van de kamerjas. Een dutje van tijd tot tijd om tijd te doden.

Harry dwaalt wat rond in het huis en komt  zichzelf ergens tegen in een spiegel.

“Jawadde, amaai, oh boy,” de kop lauwe koffie, die hem gezelschap hield op zijn dwaaltocht door het huis, spat in stukken uit elkaar op de grond: “Harry, toch. Waar ben je mee bezig?”

Een donkere paarse band strekt zich van links over de neus naar rechts. Beide wenkbrauwen staan gezwollen en de ogen rood doorlopen.

‘Nu weet ik tenminste waarom de koffie naar bloed smaakt!’

Harry laat de schabouwelijke aanblik en de scherven voor wat ze zijn en sloft verder door het huis. Hij mijdt de kamers met spiegels. In andere kamers gooit hij herinneringen stuk.

“Sadist,” roept hij naar een God ergens hierboven: “Crapuleus stuk onbenul. Bliksem me dood als je durft. Toe dan! zodat ik je een lesje kan leren!”

Zoals wel vaker luistert God niet.

Of toch? Ergens onderweg in een kast vindt Harry zomaar een fles whisky. Glenfarclas 1962. En nog een andere ook.

klik hier voor deel 7

terug naar deel 5

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Still Magic

peter

There’s quite a few by now

And  quite a few

Of them

Are mine

Thin meandering lines

Carefully chiseled

Right around  her eyes

 

Regrets I have

So many by now

And still…

Still she says

She’s mine

Inspired by: Still Magic, Peter Skellern, 1980

 

Er zijn er

Nogal wat

En nogal wat

Komen door mij

Dunne meanderende lijnen

Voorzichtig gebeiteld

Rond haar ogen

 

Spijt

Loert altijd om de hoek

En toch…

Toch zegt ze

Dat ze nog steeds geen ander zoekt

Hurricane Willem (4)

Zo. Ondergetekende bracht jullie daar waar we te vertrekken hebben om het verhaal van Hurricane Willem uit de doeken te doen. En, grif toegegeven, zo wat triestig in zichzelf gekeerd aan het sterfbed van zijn vader zag het er echt niet naar uit dat Wilmke ooit de Hurricane zal worden. Maar een mens heeft natuurlijk ergens te beginnen. En inmiddels heeft de lezer proefondervindelijk zelf vastgesteld  dat de dood een uitgangspunt is dat kan tellen.

Het duurt ook nog wel even alvorens ondergetekende daar in dat troosteloze weeshuis in een kaal kamertje van ongeveer vier op vier dag na dag langs radiogolven het gezelschap van de Hurricane opzoekt, om zo te ontsnappen aan de troosteloosheid van de dagen. Omringd door beelden van zowat elke Heilige die men kan verzinnen, maar door God en zijn equipe van notoire prutsers danig in de steek gelaten.

Nog langer zal het duren voor we aankomen bij het punt waarop Willem Hurricane er in hoogsteigen persoon voor zorgt dat John Paul Young het imago van ééndagsvlieg van zich afschudt een dikke hit te pakken heeft met het ‘War Games (in the video arcade….)’.

Diep in het binnenland tussen drie steden en twee rivieren, daar waar de grond moeizaam de rug kromt en zich distantieert van de vlakte, daar waar bultige macadamwegen als wapperende linten onooglijke dorpen aan elkaar knopen, daar lag het zendgebied van de Hurricane.

De wereld werd er tussen toen en nu alleen maar kleiner op, zo zeggen mensen die dat blijkbaar kunnen weten. En dorpen steeds groter, tot ze haast niet meer van elkaar te onderscheiden zijn: één lomp grauw en grijs. Maar nu, net als toen, ligt dit stukje Vlaanderen er bij als niemandsland. Alsof het met de rest van de wereld niets vandoen heeft, onttrekt het zich aan de troosteloze paringsdans van huizen met tuintjes, kindjes en andere illusies van oppervlakkig geluk. Vandaag, net als toen, komt daar niemand langs die er niet moet zijn.  En tot op vandaag is het enige plek ter wereld waar John Paul Young niet Mister Love Is In The Air is, maar Mister War Games himself.

Het nummer stond liefst drieënveertig weken in de lokale top 10. Een record dat nooit meer werd geëvenaard. Al kwamen Gangsters D’Amour met ‘S.O.S Barracuda’ er in dat zelfde jaar met 39 weken wel bijzonder dicht bij. Het ontging de platenmaatschappijen niet  dat er vreemde dingen gebeurden daar in de platenwinkels van dat onooglijke stukje Vlaanderen.  En menig waarnemer werd uitgestuurd om dit eigenaardige fenomeen te onderzoeken. Allemaal kwamen ze terug met hetzelfde bewijsstuk: een Hurricane-proof-stickertje.

huproof-copy

Elke eerste maandag van de maand draaide Hurricane Willem een stencilvel in de typmachine. En elke maand opnieuw draaide hij het vel vervolgens door de stencilmachine.  Vierentwintig zwaaien aan de hendel. En elke eerste maandag bracht hij ’s avonds vierentwintig enveloppen naar de post: één voor elke platenwinkel binnen het zendgebied. Zo wisten de platenboeren welke muziek deze maand Hurricane-proof was. Onderaan de brief herinnerde Willem hen aan de prijs van een rol stickers en hoe deze te bestellen. De platenhandelaars bestelden gretig, want alles met zo een sticker ging als zoete broodjes over de toonbank.

Alles is veel gezegd. Meestal. Occasioneel durfde Willem de bal durfde mis te slaan. Het kostte hem soms veel geld. Zo was hij eind 1989, op zoek naar goeie muziek, uit Londen teruggekeerd met 146 exemplaren van ‘Blew’ een fijn plaatje met fijne liedjes van een fijn groepje uit Seattle. Vooral ‘Been A Son’ klonk als een welkome mokerslag vol in het gelaat. Dit is anders, amaai dit is goed,’ oordeelde Willem en hij kocht gewoon alle exemplaren die hij daar Londen op de kop kon tikken.

Thuis zette hij Nirvana helemaal bovenaan het stencilvel, met drie plusjes er bij. Willem sprong voorzichtig om met de plusjes, maar dit was zo anders zo goed dat hij niet anders kon en het hoogst mogelijke aantal gaf. Van Blew hield twee exemplaren voor zich, en de platenwinkels kregen er elk zes. Met de belofte dat hij er meer had  besteld in Londen. Uiteindelijk vonden slechts enkele exemplaren de weg naar een draaitafel. Het was zo een flop dat Willem uit schaamte de platen terugkocht. Zelfs aan de straatstenen raakte hij Nirvana niet kwijt. Hij gaf ze dan maar weg tijdens de wekelijkse radioquiz, en belde naar Londen om te vragen of hij de bestelling ongedaan kon maken. Dat kon hij niet.

Tijdens zijn allerlaatste uitzending in 1990 op kerstavond blikte de Hurricane terug op vele mooie jaren. Hij kon het niet laten om ‘Been a son’ nog één keer te draaien.

“Luisteraars zet jullie even schrap voor een streepje Nirvana. De eerste beller kan een  exemplaar van Blew komen halen in de studio.”

Niemand belde.

Maar laat ons vooral niet vergeten waar we aan het begin van dit hoofdstuk waren. En Willem heeft eerst nog heel veel te leren….

Hurricane Willem (3)

Tijdens de laatste levensuren van zijn vader zijn was Willem nog gewoon Willem. Voor sommigen zelfs nog Wilmke.

Nog lang geen Hurricane in wording. Maar een jongeman die zich diep schaamde om de gedachten die er door zijn hoofd flitsten. ‘Jij kleine geniepigaard, fraai is dat, dat je daar nu mee komt aanzetten, dat je daar mee wacht tot op je sterfbed,’ dacht hij.

Het was Willem de voorbije maanden niet ontgaan dat Ephraim Cohen, zijn vader en de trotse eigenaar van Radio Sjalom, het steeds moeilijker had om kracht te vinden en ‘s ochtends op te staan. De jonge Willem wist al te goed, toen vader hem aan het bed sommeerde dichterbij te komen, dat het was om afscheid te nemen. Een allerlaatste vader-zoon moment, zoals er ook een allerlaatste moeder-zoon moment was geweest enkele jaren eerder. “Zorg goed voor je vader,’ had ze gevraagd, en haar ogen sloten zich voor de eeuwigheid, nog voor Willem ja kon zeggen.

Willem hield haar hand vast en beloofde dat hij dat zou doen. En nu, precies hetzelfde verstilde tafereel: een huis op een heuveltop ergens plomp verloren midden twee rivieren, een ziekbed in de living, de geur van ontsmettingsalcohol, een tenger wezen met dikke paars-grijze aderen gedrapeerd over een overhaast oud geworden lijf, een slordig getatoeëerd nummer op de onderarm in dezelfde onbestemde kleur, het nooit met elkaar hebben gepraat over wat er zich in de oorlog had afgespeeld.

Het verstikkende gewicht van onuitgesproken jaren. Zo was Willem groot geworden: oorverdovend stil, en liefdevol verstoken van de holocaust.

“Je moet mijn werk verder zetten, het is belangrijk dat je dit werk verder zet.”

Willem schaamde zich nog meer, toen hij het zich niet kon laten om die venijnige hersenspinsels in woorden om te zetten: “Jij kleine geniepigaard! Al die jaren rep je met geen woord over de oorlog. En nu moet ik plots je werk verder zetten. Ik weet niks van die verdomde oorlog van jou, behalve dat wat ik op school heb geleerd.’

“Dat is genoeg!”

Vanonder het kussen haalde vader een sleutelbos.

“Radio Sjalom is nu van jou.”

“En nu mag ik plots wel binnen in de schuur?”

“Ja, de studio  is van jou nu. Neem de sleutels.”

Vanonder hetzelfde kussen haalde Ephraim ook een bruine envelop: “De inhoud van deze  envelop zal je beschermen.”

“Hoe dan wel? Tegen wie? Tegen wat? In godsnaam, waarom moet ik beschermd worden door een envelop? Is dit je laatste grapje, paps?”

“Het is beter voor je dat je niet weet wat er in zit. Maar gebruik hem, toon hem elke keer als Radio Sjalom in de nesten zit. Dat zal vaker gebeuren dan je lief is. De oorlog is lang voorbij maar de mensen  hebben ons nog steeds niet graag! We zijn een volk in nood”

“Paps, je kan me dit echt niet aandoen. Ik weet niks over ons volk in nood! ”

“Beloof het!”

De tranige ogen van Willem gleden over het frêle mannetje dat al zoveel had meegemaakt. En met een krop in zijn keel beloofde hij Radio Sjalom verder te zetten.

“Hoe begin ik er in aan? Blijf je nog even hier om het me te leren. Of gaat straks al  het licht uit, zoals bij mama?”

“Je zal snel leren. Je vindt alle antwoorden in de schuur. Je staat er ook niet alleen voor. Daar heb ik voor gezorgd”

Het ging verder zoals het bij mama was gegaan. Dezelfde verstilde foto. Nog diezelfde dag ging het licht uit bij Ephraim. Willem schaamde zich niet langer over zijn woorden en gedachten:”‘Lieve geniepigaard. Doe me dit niet aan. Rotzak. Lieve, lieve rotzak, doe me dit niet aan!”

In zijn ene hand had de nieuwe eigenaar van Radio Sjalom een sleutelbos, in het andere de bruine envelop. Daar zat Willem, de zoon van Sara en Ephraim, urenlang alleen.

Alleen met het moeilijkste verdriet. Verdriet dat al is geleden. Tranen die al zijn geweend.

“Paps en ik houden het hier niet lang meer vol, jongen,” had moeder vaak genoeg gezegd:”We zijn geesten. Alleen de ontembare kracht van onze jeugd hielp ons het kamp te overleven, maar er bleef te weinig van over om verder mee te leven. En laat er ons verder niet meer over speken.”

Druk hier voor deel 4

Hurricane Willem (2)

Je negeert het wegwuifgebaar en staart hulpeloos rond.  De directrice kijkt bedenkelijk. “Awel, wat sta jij hier nog te lanterfanten,”  vraagt ze.

Je vraagt waar je ergens een bed kan vinden.  Het antwoord lijkt heel erg simpel: “Boven, kamer veertien!” Je wil niet al te dom overkomen, dus je vraagt niet waar je de weg naar boven vindt.

Onzeker onderweg  naar dichtstbijzijnde trap ontmoet je veel Maria- en andere heiligenbeelden.  Het ene  al dreigender dan het andere. Op geen enkel ogenblik ogen ze verwelkomend. En stuk voor stuk kijken ze vanuit de hoogte op je neer.

Benen zo dun als luciferstokjes helpen je naar boven. Halverwege de trap hou je even halt en je bedenkt dat er nog een flink stuk  af te leggen valt. Naar boven en in dit leven. Je bundelt je krachten en draagt jezelf verder.

Kamer veertien ligt op het eind van een schier eindeloze gang.  Elke deur is genummerd met cijfers van opgeblonken koper. Ze lijken wel van goud. Boven elke deur hangt een kruis, met daaraan een triest ogende Jezus die voor ons aan het kruis gestorven is.

Eindelijk. Een bed. En dan een koortsige slaap.

Wanneer precies weet je niet, maar je wordt wakker in het donker. De kamer voelt vreemd aan. Elk van je ontwakende zintuigen schreeuwt uit dat je er niet thuishoort. Het ontbreekt je aan kracht en goesting om op te staan en je verdoet trage tijd tot je ogen zich aangepast hebben aan het donker.

Donkere contouren tekenen de lijnen van een kast, een stoel en een schrijftafel. Dat is het zowat. Pas later zie je -wie had dat kunnen raden?- dat er ook nog een triestig kruisbeeld boven de schrijftafel hangt. De kamer is gevuld met een klamme stilte. Op een bijzettafeltje in de hoek van je kamer staat een rechthoekige doos.  Nieuwsgierig naar de inhoud sta je op. Je schrikt ervan hoe dicht alles bij elkaar staat in het kamertje. Van het bed naar de bijzettafel is slechts drie ingehouden passen. En dan nog stoot je dikke teen tegen het tafeltje aan. Niet dat het pijn doet, de aders in je armen staan nog gezwollen van de pijnmedicatie die er eerder werd doorgepompt. Je kan best tegen een stootje.

Maar je maakt een kabaal dat angstaanjagende door de gang gonst. Behoedzaam keer je op je stappen terug.  Je gaat op het bed liggen, en wacht net lang genoeg tot je min of meer zeker bent dat niemand je gehoord heeft. Je hart bonst in je keel voor een  tweede poging. Op de tast merk je  dat de doos geen doos is, maar een radio die een glimlach op je snoet tovert. Waarom weet je niet precies, maar een ordinaire radio schijnt je ontzettend blij te maken. Geconcentreerd en opgelaten glijden je handen over de radio. En je tekent in je slaapdronken kop een beeld van hoe het ding werkt. Aan, uit, volume, cassettedeck, vooruit, terugspoelen….

Je hoopt dat je het allemaal goed hebt, zet het volume op nul en geeft een ingetogen duw op de aan-knop.

Het blijft stil in de kamer en het licht van de zenderschaal vult het kamertje en je handen met een prachtige zacht oranje gloed  . En dan doe je iets dat zelfs jaren later zo van tijd tot tijd nog eens door je hoofd zal flitsen. Hoe het mogelijk was, vraag je je dan af, dat je alles vergat, behalve dat.

Je draait aan de knop die aan de zijkant van de radio de staat. En je weet al te goed waar de frequentiewijzer naartoe gaat. Je vezelt het binnensmonds terwijl je draait en draait: ‘Radio Hurricane. 104.7”

Met de nauwkeurigheid van een chirurg en één oor heel dicht bij de radio stel je de volumeknop zo af dat je alles net kan horen.

Een vertrouwde stem.

“Kindekens, stop nu even jullie oren dicht, want hier komt de pornoslow van de week! Hier is  Gemini met L’Amour Interdit ’

Tot zijn allerlaatste uitzending zou D.J. Hurricane Willem het wekelijks doen: de kindekens vragen om de oren dicht te stoppen.  Wat volgde was veelal Frans, zwoel, zeemzoet en kwistig voorzien van het gehijg en gekreun.  De pornoslow: een genre apart. Volgens Hurricane Willem zwaar onderschat.

Wat dan volgt is minder poëtisch. Ongemerkt is er een schim naast je komen te staan. En die schim gebruikt haast de helft van de kamer om uit te halen en er zich van te vergewissen dat dit een moment wordt dat nog lang zal nazinderen.

Klets.

Gelukkig kan je tegen een stootje. En je slaagt er net in om samen met de radio in je armen een veilige landing te maken na een weinig stijlvolle duikvlucht over het bijzet tafeltje.

“Hier in Huize Kindervreugd vragen we of de radio aan mag. Knoop dat goed in je oren!”

Hij kiest zijn woorden blijkbaar nauwgezet, want vervolgens grijpt hij een van je oren stevig vast.

“Heb je dat begrepen?”

“Jaaa, aauw.” Je bent dan toch niet zo pijnvrij als je dacht.

“Ja, wie?”

“Ja, Ik weet niet wie je bent!”

“En wat zeg je tegen iemand die je niet kent?”

“Ik weet niet!”

“Ik weet niet, meneer! En nu in je bed! Je hebt net je eerste week kamerarrest verdiend! Nietsnut!”

De schim verdwijnt. En heel stilletjes in de verte hoor je de Hurricane al het volgende nummer aankondigen: “Beste luisteraars, heel speciaal voor jullie  Ian Dury & The Blockheads met  Reasons to be Cheerful part 3.”

druk op onderstaande link voor deel 3:

Hurricane Willem (3)

huproof-copy