Harry, gewoon Harry (Deel 6) (willekeurige variant op een parabel)

oprijlaan

Het eerste daglicht wurmt zich gretig door spleten en kieren. Harry slaat zijn armen rondom zijn hoofd. Maar alleen op een bed voor twee er is geen ontsnappen aan de dag.

Harry krijgt zijn ogen niet volledig open en ook niet volledig dicht. Onscherp start hij de rituelen van de ochtend: koffie en een boterham. Muziek in de goede volgorde schudden lukt ook al niet niet vandaag.

Happy Hour: te vrolijk.

Nine While Nine: te vrolijk.

A Hundred Years: te lichtvoetig voor de dag.

Harry weet dat het weer zo’n dag wordt en legt de i-pod opzij. Ongewassen. In kamerjas. Rolluiken dicht. En hopen dat de volgende minuut sneller gaat dan de vorige. En hij weet al te goed dat Samia het zou haten dat hij zo doet. Aan haar sterfbed had hij nog stellig beloofd om sterk te zijn en er hier nog iets van te maken. Samia drukte hem op het hart dat hij zelfs iemand anders mocht vinden: “Aan die uitgemergelde borsten van mij heb je de laatste tijd niet veel gehad, schat!” Tot haar laatste ogenblik was Samia ontzettend sterkt.

Geen haar op zijn hoofd sindsdien al eens aan een ander dacht. Ook al is het monster van de eenzaamheid is vaak sterker dan hij ooit had verwacht. Het liefst zou hij sterk zijn en de man zijn die hij vroeger was, maar daar komt hij vandaag niet toe. Alleen loslaten past nog bij het lege huis en de lange dag.

Hij gooit het met zichzelf op een akkoordje, terwijl hij loslaat: morgen herpakt hij zich. Harry pinkt een traan weg. Hij weet dat het een leugen is. Vorige keer liep hij zo drie weken rond. Ongewassen. Ongeschoren. Handen diep in de zakken van de kamerjas. Een dutje van tijd tot tijd om tijd te doden.

Harry dwaalt wat rond in het huis en komt  zichzelf ergens tegen in een spiegel.

“Jawadde, amaai, oh boy,” de kop lauwe koffie, die hem gezelschap hield op zijn dwaaltocht door het huis, spat in stukken uit elkaar op de grond: “Harry, toch. Waar ben je mee bezig?”

Een donkere paarse band strekt zich van links over de neus naar rechts. Beide wenkbrauwen staan gezwollen en de ogen rood doorlopen.

‘Nu weet ik tenminste waarom de koffie naar bloed smaakt!’

Harry laat de schabouwelijke aanblik en de scherven voor wat ze zijn en sloft verder door het huis. Hij mijdt de kamers met spiegels. In andere kamers gooit hij herinneringen stuk.

“Sadist,” roept hij naar een God ergens hierboven: “Crapuleus stuk onbenul. Bliksem me dood als je durft. Toe dan! zodat ik je een lesje kan leren!”

Zoals wel vaker luistert God niet.

Of toch? Ergens onderweg in een kast vindt Harry zomaar een fles whisky. Glenfarclas 1962. En nog een andere ook.

klik hier voor deel 7

terug naar deel 5

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Harry, gewoon Harry (Deel 5) (willekeurige variant op een parabel)

 

max

Wat en hoe Harry ook probeert, hij krijgt zijn ogen niet scherpgesteld op het oranje licht van de wekkerradio. Dag kan het nog niet zijn, want het is nog donker buiten. Slaapdronken onderneemt hij een nieuwe poging om te zien hoe laat het is. De cijfers blijven vaag en werpen een oranje schijnsel over het nachtkastje. ‘God, ja,’ denkt Harry: ‘ik doe er nog wat heerlijk vergeetachtige slaap bovenop!’

Hij hoopt verder te dromen van de krakers in zijn huis aan zee, en hoe hij hartelijk de sleutels overhandigt. “Hier, alsjeblief, blijf gerust zolang jullie nodig achten. Ik haal straks nog wat te eten voor in de koelkast, zodat er iets te eten is.”

Badplaatsbewoners klampen hem langs alle kanten aan in de supermarkt en vragen of hij nu helemaal gek geworden is. “Vreemdelingen onderdak geven, hoe is dat nu in godsnaam mogelijk?” Iemand gooit een ei naar zijn hoofd. En nog een. “Idioot. Ellending! Apen-lover! Terroristen-vriend! We maken je kapot!”

En dat ze de burgemeester gaan verwittigen, ook dat moet doorgaan als dreigement. Harry haalt gewoon de schouders op. Zelfs een derde ei raakt zijn koude kleren niet. Hij vraagt zich wel af waar hij en Samia precies met hun gedachten zaten toen ze hier destijds een wansmakelijk dure lap grond kochten op een steenworp van het Zwin.

Een vervolg dromen lukt Harry niet. Hij stapt gewoon in een andere droom. Een heerlijke droom. Een ongewoon mooie droom. De droom is van zwart en wit, en toch zijn er kleuren. Het beeld voelt akelig vertrouwd aan.

De dijk staat vol met voertuigen die net niet synchroon blauwig licht op het strand werpen. Boven de dreigende zee draait een helikopter rondje na rondje. Max, de hond, wacht op het strand. Opgelaten. Tong uit de mond. Schuldige ogen. De zon komt op. En de bundel licht die vanuit de helikopter naar een teken van leven speurt neemt af in kracht.  Op de dijk gaan de kopjes naar beneden en hier en daar wordt er al van neen geschud.

Harry, voelt hoe het koude water hem verlamt. Op de dijk ziet hij Samia en Tim. Harry laat los. Dat mag nu.

“Ik hou van jullie,” roept hij nog, maar de draaiende rotorbladen van de helikopter versmachten zijn woorden. Alleen Max lijkt ze te horen. Onrustig kermend loopt hij over en weer op het strand. Harry zakt opgelucht naar de bodem. Tim leeft nog. Zo hoort het. Zo is het goed.

klik hier voor deel 6

terug naar deel 4