55 woorden, attempting 55 words

rivier

 

Niet makkelijk zo’n 55-woorden-wedstrijd.

and an attempt to turn it into 55 words


Weights 

Eventually he chooses water. Tired of tides. Next to him some words. For someone. For later.

Purple haired, she looks old. A bicycle drove her this far.

A miracle. She never loved the days herself. But still around.

Shredded words flit like butterflies.

A few hours later…

Honey, I’m home!”

At least today.

Harry, gewoon Harry (Deel 5) (willekeurige variant op een parabel)

 

max

Wat en hoe Harry ook probeert, hij krijgt zijn ogen niet scherpgesteld op het oranje licht van de wekkerradio. Dag kan het nog niet zijn, want het is nog donker buiten. Slaapdronken onderneemt hij een nieuwe poging om te zien hoe laat het is. De cijfers blijven vaag en werpen een oranje schijnsel over het nachtkastje. ‘God, ja,’ denkt Harry: ‘ik doe er nog wat heerlijk vergeetachtige slaap bovenop!’

Hij hoopt verder te dromen van de krakers in zijn huis aan zee, en hoe hij hartelijk de sleutels overhandigt. “Hier, alsjeblief, blijf gerust zolang jullie nodig achten. Ik haal straks nog wat te eten voor in de koelkast, zodat er iets te eten is.”

Badplaatsbewoners klampen hem langs alle kanten aan in de supermarkt en vragen of hij nu helemaal gek geworden is. “Vreemdelingen onderdak geven, hoe is dat nu in godsnaam mogelijk?” Iemand gooit een ei naar zijn hoofd. En nog een. “Idioot. Ellending! Apen-lover! Terroristen-vriend! We maken je kapot!”

En dat ze de burgemeester gaan verwittigen, ook dat moet doorgaan als dreigement. Harry haalt gewoon de schouders op. Zelfs een derde ei raakt zijn koude kleren niet. Hij vraagt zich wel af waar hij en Samia precies met hun gedachten zaten toen ze hier destijds een wansmakelijk dure lap grond kochten op een steenworp van het Zwin.

Een vervolg dromen lukt Harry niet. Hij stapt gewoon in een andere droom. Een heerlijke droom. Een ongewoon mooie droom. De droom is van zwart en wit, en toch zijn er kleuren. Het beeld voelt akelig vertrouwd aan.

De dijk staat vol met voertuigen die net niet synchroon blauwig licht op het strand werpen. Boven de dreigende zee draait een helikopter rondje na rondje. Max, de hond, wacht op het strand. Opgelaten. Tong uit de mond. Schuldige ogen. De zon komt op. En de bundel licht die vanuit de helikopter naar een teken van leven speurt neemt af in kracht.  Op de dijk gaan de kopjes naar beneden en hier en daar wordt er al van neen geschud.

Harry, voelt hoe het koude water hem verlamt. Op de dijk ziet hij Samia en Tim. Harry laat los. Dat mag nu.

“Ik hou van jullie,” roept hij nog, maar de draaiende rotorbladen van de helikopter versmachten zijn woorden. Alleen Max lijkt ze te horen. Onrustig kermend loopt hij over en weer op het strand. Harry zakt opgelucht naar de bodem. Tim leeft nog. Zo hoort het. Zo is het goed.

klik hier voor deel 6

terug naar deel 4

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Harry, gewoon Harry (Deel 4) (willekeurige variant op een parabel)

 

hospitaal

Op zondag duwt Harry zijn karretje met lees- en luisterboeken door de ziekenhuisgangen. Er is veel vraag naar luisterboeken. Harry maakt er notitie van, op een blauwe post-it die hij op het dashboard van zijn wagen hangt. Nieuwe luisterboeken. Veel. Enkele mp3-spelers. 

Daaronder hangt een gele post-it.

Huis aan zee. 

Hij moet daar dringend nog eens heen. Om te zien of het er nog een beetje ordentelijk bijligt voor de verkoop. En om na te gaan welke herinneringen hij er nog heeft weg te halen. ‘Misschien zitten er krakers in,’ denkt hij bij zich zelf. Hij geniet stiekem van die gedachte, en kan een monkellach amper onderdrukken  ‘Dat zou wat zijn, krakers! In Knokke. Zalig. Briljant.’ 

Nadien trekt zijn aangezicht weer somber. Hij wil er niet naartoe. Liefst van al wil hij vergeten dat het huis er staat. Wat hem betreft mag het opgeslokt worden door de zee. Harry, stuurt zijn wagen naar de kant van de weg, en bonkt zijn voorhoofd een keer of drie tegen het stuur. Hij barst in tranen uit, en bonkt, nu met het volledige aangezicht, nog een keer of drie tegen het stuur. Uit elk neusgat loopt een lijntje bloed.

Zo gaat het steeds. Soms lijkt het er héél even op alsof het beter gaat met Harry, alsof het gaat lukken, alsof hij eindelijk weer zijn draai schijnt te vinden, maar dan stuurt één onbewaakte gedachte hem terug naar af…

‘Onze Tim werd ook opgeslokt door de zee.’

Het is nog steeds een ondraaglijke gedachte. Het kost Harry nog enkele bonken op het het stuur en veel aanmoedigend gevezel, alvorens hij zichzelf bij elkaar kan rapen. Rijden lukt niet meer. Zijn ogen staan bloeddoorlopen, blauw en gezwollen. ‘Herpak je toch gewoon, Harry. Verman je.’

Harry plukt de post-its van het dashboard en belt een taxi.

De opgeschrikte taxi-chauffeur vraagt of hij Harry toch niet beter naar een ziekenhuis of een dokter brengt. Dat moet niet van Harry, en hij wuift het aanbod weg: “Neen, hoor, ik kan wel tegen een stootje.”

Thuis schrijft Harry snel nog wat zaken op de kalender. Hij verfrommelt de post-its en gaat slapen. Hij droomt heerlijk van krakers in zijn huis.

klik hier voor deel 5

terug naar deel 3

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Harry, gewoon Harry (Deel 3) (willekeurige variant op een parabel)

 

te koop

Het is zaterdag, dus Harry slaapt wat langer en hij wordt wat trager wakker. De rest van het ochtendritueel ziet er zo min of meer hetzelfde uit. Behalve dan het gepocheerde eitje met garnalen, dat is typisch voor een zaterdag. Alsook een vers gestreken kamerjas. Voor de rest komt alles een gewoon uurtje later.

Het nieuws op de radio is alvast even baldadig. Presidenten liggen op ramkoers, het land weigert nog zorg te dragen,  de zwaksten dienen gestraft. Weg uit die comfortabele hangmat! Harry schudt het hoofd en vraagt zich af in wat voor een wereld hij leeft en of het zou helpen als hij zijn wang knijpt.

Hij knijpt in zijn wang. Het helpt niet.

Harry zet de radio uit en schudt met één druk de liedjes op zijn i-pod door elkaar.

“Briljant,” Hij danst een wankel walsje rond de tafel en pinkt een traan weg. Hij doet dat de laatste tijd wel vaker: een potje bleiten op muziek. Onlangs nog barstte hij in tranen uit op de tonen van Kizmiaz. Gewoon omdat hij en zijn vrouw er zo ontzettend van hielden, er zo moesten om lachen en er zo vaak op dansten.

Het scheelde maar een haar of het werd hun trouwliedje. Gewoon om de goegemeente te schofferen. Helaas nam gezond verstand de bovenhand. Daar had hij soms spijt van.  ‘Dat zou nogal wat geweest zijn, Kizmiaz in de kerk. En ‘s avonds op de dansvloer nog een keer, als openingsdans!’  Tranen maken plaats voor een glimlach en Harry walst naar de trap en dan richting douche.

Wow, beste shuffle in dagen,’ denkt Harry, wanneer hij heupwiegend de douchekraam opendraait. Zesendertig dagen en negen uren aan muziek laten zich niet makkelijk schudden tot een volgorde die past bij de dag. Maar vandaag zijn de liedjes gewillig.

Harry, geeft zichzelf een klap op het voorhoofd, wanneer hij de bel hoort. Hij haast zich in zijn kleren en rept zich mopperend naar beneden: “Harry, toch.”

“Amaai, dat is hier ook niet gewoon, meneer,” zegt een goedlachse dame.

“Zeg, maar gewoon Harry,” zegt Harry.

“Oprijlaan op wandelafstand,” stelt ze glimlachend vast.

Hij verontschuldigt zich: “Ik was vergeten dat je kwam. Zou het lukken op een uurtje, want ik ben cliniclown vandaag. Ik doe dat haast elke zaterdag.”

Het lukt op een uurtje. Harry voelt dat de dame  enthousiast is over het huis. Ze zegt dat ook en maakt geen probleem van de vraagprijs. Ze vraagt of ze enkele dagen bedenktijd kan krijgen.

Dat kan. Harry is niet gehaast.

Hij vertrouwt haar toe dat de vraagprijs voor het spiegelhuis in Knokke, vier keer hoger ligt. Nochtans, tot in de kleinste details, krek hetzelfde huis. De dame vraagt zich luidop af wie in godsnaam zoiets verzint: “een spiegelhuis?”

“Onze zoon had Asperger,” vertelt Harry haar met een krop in de keel: ”het leek ons wel een goed idee om gewoon hetzelfde huis neer te planten in Knokke.”

Harry en de dame spreken later die week nog eens af.

De dame stuurt haar wagen over de bochtige oprijlaan. Harry volgt in haar kielzog, richting ziekenhuis, cliniclown spelen. Hij doet dat liever dan het bibliotheekkarretje door schier eindeloze gangen  duwen, maar ook dat moet gebeuren. Boeken brengen is voor morgen.

klik hier voor deel 4

terug naar deel 2

 

 

 

 

 

 

Harry, gewoon Harry (Deel 2) (willekeurige variant op een parabel)

koterhaak

Harry, staat op en zet koffie. Hij hoeft niet naar de kalender te kijken om te weten dat de dag niet veel brengt. Nietjes en  lamineerhoezen, dat is het zowat. Tijd zat voor een babbel met Max, de hond, die al jaren in de tuin begraven ligt.

Ja, Max, wie had ooit gedacht dat ik tegen een dood beest zou staan praten doorheen het keukenvenster? Hoe zielig is dat?”

De radio brengt, net als gisteren, slecht nieuws en sombere tijdingen. Harry zet de radio uit en de muziekspeler aan op shuffle. Op de tonen van Steamhammer Sam, een lang vergeten parel van Intaferon, stapt Harry onder de douche.

Muziek die past wel bij het nieuws van de dag, staat vast.’ denkt hij.

Geld als enige maat der dingen. De mens ontdaan van mededogen en menselijkheid.’

De rest van de dag overkomt Harry. Hij stelt vast dat hij eerst nietjes en lamineerhoezen haalt. Nadien belandt hij op het bankje ergens in een uithoek van het park. Hij zit daar een tijdlang. Een meeneemkoffie houdt hem gezelschap. De wind staat guur en strak. Weer dat bij hem past.

Harry, stopt in brasserie De Kotelet, voor een dagschotel. Voor service en kwaliteit moet een mens niet in de Kotelet zijn. Wel voor veel en goedkoop. Quinoa is er een scheldwoord. En Marjet, de gastvrouw, wijst je graag schouderophalend en hoofdschuddend de deur als het over gluten en lactose gaat. Zo heeft ze meer tijd om zware servetten te plooien in vorm van een sierlijke zwaan. De aanblik alleen van een berg spinazie-stoemp met worst en donker bruine saus doet Harry spontaan naar het hart grijpen. Veelal is Harry er de enige klant.

Na De Kotelet trekt Harry naar cafe De Koterhaak even verderop, In café de Koterhaak krijgt hij zijn pintje en een kwartier nog een, zonder daar om te vragen. Nadine vraagt zich vaak af  hoe met hem is nu, na al die miserie op zijn weg. Maar ze weet ook dat het zo hoort te lopen: een pintje, en nog een pintje, geen goeiedag, geen vragen, geen woorden. Op de toog legt Harry een biljet, en Nadine weet dat ze het wisselgeld mag houden.

‘Ik ben thuis,’ roept Harry in de gang, wanneer hij ‘s avonds thuiskomt. Hij doet dat om eventuele inbrekers te waarschuwen, want er wordt nogal wat ingebroken de laatste tijd daar in de buurt. Er wordt van een heuse plaag gesproken. Maar diep vanbinnen ook omdat hij hoopt dat Samia en Tim gewoon thuis zijn, de laatste jaren een droom waaruit hij enkel  moet ontwaken.

Harry, zet de zak met nietjes en lamineerhoezen op de keukentafel, naast de zak met nietjespistool en lamineermachine.

Met een scherp mes opent hij voorzichtig de verpakking. Hij slaat zich voor het hoofd. Het nietjespistool kwam met een rij gratis nietjes. Hij slaat zich terug voor het hoofd. De lamineermachine kwam met 3 gratis hoezen. ‘Hoe dom!’

Uit de ehbo-kast haalt Harry een flesje ontsmettingmiddel, en enkele pleisters. ‘Eens proberen, zie,‘ denkt hij. Hij ontbloot de borstkas en schiet er lukraak drie nietjes in.

“God nog aan toe, dat doet pijn!” Vervolgens schiet hij er één in de handpalm en ook één net boven de knie, om het af te leren.

“Godsamme.” Hij besluit dat het nogal meeviel in borstkas en hand. Vol in die knie, dat kan hij zich beter laten. Hij ontsmet de kleine gaatjes en doet er pleisters op. Nadien poetst hij zijn tanden en gaat slapen. ‘Morgen CC.’

Vandaar misschien die zweem van een glimlach sinds lang.

klik hier voor deel 3

Terug naar deel 1

 

 

Hashtag scared and lonely too (english version)

tram

pixabay

That no one else would ever take her place, the widower had sworn. He had done so in front of the church and for all to hear. At least those who could understand the stammering of the heartbroken man. “Our house will forever be too big from now on,” he had said, and whilst doing so he had moved almost everybody to tears.

She, on the other hand, pretty much single by nature, had lost count of all of the lonely years she had survived. But she never lost hope. Somewhere out there in the world there was someone for her to love. Someone to love her back. Sometimes it seemed as if she was about to explode with love: so much she had kept in, so much she had to give.

Maybe, just maybe, she desired sometimes on the streetcar: maybe he is the one for methat charming man over there. Every day he gave up his seat, with a friendly and inviting gesture, to an old lady going God-knows-where, and clung himself to a bar strap instead. Balancing, and at the mercy of the operator.

Every now and then he slid his eyes over the angelic being.

Often, she had to blow her hair out of her eyes whilst reading. Sometimes that didn’t help at all. Then she had to curl it around two fingers and tuck the tress behind one ear. Good to go for a few pages more.

Sometimes she looked up. Ever so briefly, before losing herself in one of her books again.

Sporadically eyes met. He always looked away. He always tried not to look. He didn’t want to stare. And had he not solemnly pledged to stay alone the rest of is life? And even though she sat there, chillingly beautiful, beauty is never indulgence for grief, he figured.

She loved how the meeting of gazes rendered him red around the cheeks, and how he always looked away seconds late. In a world in which one always had to be wary, she saw right through him, and had found nothing but uncertainty and a kind heart. Some devastation too.

For a while now she had been going about her business with an oversized handbag, way too big for just one book and a day at the office. She had a plan. And that day she deemed the stars finally favourable.

So far she had succeeded in sitting next to her bag all by herself. And when a teenager had laid eyes on the not so vacant seat, she felt confident enough to scare him away: “Sorry, lad, not yours for the taking.”

And the teenager, deprived of some extra sleep and his sense of honour had asked: ‘Whose  is it then, and who put you in charge of the streetcar?”

And she pointed at the man who just had offered his seat to an old lady going God-knows-where. His.

The man looked up, and saw how she gestured that there was a vacant seat next to her. Oh, there you have it again that feeling, he thought, heart racing down his throat and a strange sensation in the lower abdomen. Before he could look away she beckoned him again.

Ho, no. Oh, yes. Oh, no. Whatever.

He put his newspaper in the armpit, made himself as thin as possible and headed towards the angel.

“Sorry, coming through” “Excuse me!” “May I?”

I‘ll just tell her how beautiful she is, he told himself, unaware of a certain someone contemplating revenge.

Hate driven the teenager lifted his foot just, just when the streetcar started taking up speed. The man stumbled, slipped and fell. Face forward. On her lap.“Oh, crap,” she heard him stammer.

His hands felt each of her breasts, when he tried to get up. Clumsily grabbing for something to hold on to.

“Oh, no,” he shook his head, when he became most aware of the delicate matter he got himself involved in.

“No, no, no, not me,” he muttered.

How was he to know that she didn’t mind at all? She loved the scent he carried with him. It reminded her of the soap she used when she was still a little girl. She felt overwhelmed and week on the inside. Ran her fingers through his hear, she dared not, but she would have loved to.

The streetcar ground to a halt, to let some more people on. The man hastily jumped of, shouting out how sorry he was. Leaving his newspaper on her lap.

#MeToo,” the headline kept screaming. And on the same page a very sick individual had felt the need to divide the world in two. Shit holes and great countries.

Full of newly found self-esteem the teenager tapped her on the shoulder.

That seat no longer taken, I assume! ‘

No it isn’t,” she replied grumpily: ‘ but I’ll scratch out your eyes if you dare take it! ”

To point out that she wasn’t joking, she gave the seat next to her three encouraging pats.

The man was never to be seen again. But she still takes the streetcar to the office. Hoping for a second chance one day. And because no one else does (anymore), she always offers her seat to that old lady going God-knows-where .