Kwantumliefde / Quantum Love

Het is alweer een tijdje geleden dat ik nog iets schreef. Het werd zowaar een avondklok-verhaal. U vindt de Nederlandse versie hier: https://500magazineaanzee.nl/2021/02/jan-en-marieke/#more-2862

Laat gerust een reactie achter op de website van magazine 500 aan zee.

For English just keep reading

Quantum love

How will they write about today, when all the suffering is done and the scientific battle won?

Will future historians write glorious words, such as those about the landing on the moon, or will they tell  a bitter tale?

Barely seven days after his nocturnal walk, the 78-year-old Jan Severanckx stood before a judge. The judge’s mouth mask could not hide boredom and displeasure.

Months earlier, during the first wave, Jan had lost his wife. The monster called COVID had captured Marieke, shook her fragile, dementing body in a fierce rage, and left her to die in the nursing home. Jan was not allowed to say goodbye. Goodbyes were inconvenient, because the cure for the virus was cold loneliness and isolation.

Months passed, and Jan still felt miserable for not being close to his wife during those final weeks. And it was anything but a consolation that -instead of him- a priest had sat next to Marieke. The sick basterd even administered a final anointing, whilst Jan was kept at bay.

As a logical consequence of a nice life Jan stood before a judge for the very first time. Thus Jan was hopeful. What he had been up to was not allowed, but Jan also figured that it really wasn’t the end of the world either.

Seven days earlier, Jan had admitted to the officers that he knowingly broke the curfew. Because he had noticed, just before going to bed, that snow flakes started to fall. And he dreamed fairylike images of a city center covered in snow. But then all of a sudden he was worried: if there is no one around downtown to watch the flakes come down , will there be snow? Or will it be as if nothing has happened?

With that question – whether something is real when there is no one to see? – he and Marieke had spent many an hour in the past, as did Einstein and Bohr about a century earlier. She had certainly believed that it just might well be, he that we cannot know such things.

The officers assumed that Jan was a bit nuts and had brought him home. But half Jan hour later, Jan was out and about again and he met exactly the same officers at exactly the same place. They showed themselves a lot less forgiving and took Jan to jail.

Now he was standing in front of the judge, looking a bit uncomfortable.

“Mr. Severanckx, sir, does four thousand euros feel ‘real’ enough to you?”

It took Jan a while to understand that it was not a question but a verdict.

Jan was allowed to go. But he still wanted to know. He took a cab into town, where the thaw had started and the sun already had the taste of spring. Still Jan saw traces of snow on roofs, behind corners and between crevices not that long ago. He smiled.

Jan had been alone for many a month now. But loneliness was a thing of the past. Time had come to tell Marieke that it really had been snowing without witnesses. Time had come to go.

Jan left his wallet and a mouth mask on the bench by the bridge. Finally at last nothing but past.

Harry, gewoon Harry (Deel 7) (willekeurige variant op een parabel)

whisky-2619215__480

In deze toestand is Harry gewoon een vogel voor de kat. Hij weet dat en verzet zich daar niet tegen. Toegeven is beter. En de stukken van zichzelf raapt hij later wel een keer bij elkaar. Wakker zijn en slapen gaan naadloos in elkaar over. Dag genadeloos in nacht. De uren doen er niet meer toe.

Dingdong.  Dingdong. Dingdong.

Harry schrikt wakker op de grond naast het bed. Een halfvolle whiskyfles naast hem als metgezel. Het glas is zoek. Harry herinnert zich zoiets. Uren eerder was hij het glas ergens kwijtgespeeld. Hij zocht, maar kwam niet te weten waar hij het precies had gelaten.  Hij besloot dan maar om zich rechtstreeks van de fles pletter te drinken drinken.

Harry  voelt zich geradbraakt en zelfs ademen doet zeer aan zijn kop. Zijn schedelpan slaat open en toe. Languit schijnboksen dat lukt wel nog. Links, links. links, rechts. “Kom op, laffe hond,” maant hij God tot actie aan. Zijn laatste linkse heeft meer weg van een wegwerpgebaar: “Pfff, je durft niet.”

Dingdong. Dingdong. Dingdong.

Harry meende daarnet al iets te horen. Maar nu sijpelt de deurbel langzaam binnen. Moeizaam en met een beetje hulp van de bedrand krabbelt hij recht.

Dingdong. Dingdong. Dingdong.

‘Niet te geloven dat het al woensdag is,’ denkt Harry bij zichzelf: ‘gisteren was het nog maandag.’ Hij bedenkt een smoes om Agnieszka, de poetsvrouw, wandelen te sturen, terwijl hij naar een raam waggelt.

De zon zeurt nijdig aan zijn kop. Hij wendt zijn blik af om zonlicht te mijden en om zijn gedeukte kop te verstoppen.

“Agnieszka, ik ben een beetje ziek. Je hoeft vandaag niet te poetsen. Volgende week ook niet. Maar ik maak het geld zeker over op….”

“Harry, ‘t is Ward.”

Harry buigt zich over de vensterbank. En inderdaad het is Ward, wijkagent sinds jaar en dag  en immer goedlachs, zelve die daar beneden staat te blinken. Hij ziet de gezwollen aanblik, en jaren van paraatheid en training werpen meteen hun vruchten af.

Zelfzeker legt Ward een hand op zijn holster, en behoedzaam zet hij een stap achteruit om de situatie in te schatten en zicht te krijgen op de ernst van deze onverkwikkelijke zaak. Ongetwijfeld een gijzeling.

“Harry, knipper met je ogen als je in gevaar bent! We zijn er voor jou.”

“Ik krijg mijn ogen niet toe en jij bent hier helemaal alleen, want ik zie je fiets tegen de haag staan,” werpt Harry terug naar Ward, die zich inmiddels met zijn schietijzer in de aanslag achter een buxushaag verschanst heeft.

“Maar geen nood. Er is geen gevaar. Berg dat ding alsjeblief op. Straks vallen er nog gewonden. Ik kom naar beneden.”

klik hier voor deel 8

terug naar deel 6

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Harry, gewoon Harry (Deel 6) (willekeurige variant op een parabel)

oprijlaan

Het eerste daglicht wurmt zich gretig door spleten en kieren. Harry slaat zijn armen rondom zijn hoofd. Maar alleen op een bed voor twee er is geen ontsnappen aan de dag.

Harry krijgt zijn ogen niet volledig open en ook niet volledig dicht. Onscherp start hij de rituelen van de ochtend: koffie en een boterham. Muziek in de goede volgorde schudden lukt ook al niet niet vandaag.

Happy Hour: te vrolijk.

Nine While Nine: te vrolijk.

A Hundred Years: te lichtvoetig voor de dag.

Harry weet dat het weer zo’n dag wordt en legt de i-pod opzij. Ongewassen. In kamerjas. Rolluiken dicht. En hopen dat de volgende minuut sneller gaat dan de vorige. En hij weet al te goed dat Samia het zou haten dat hij zo doet. Aan haar sterfbed had hij nog stellig beloofd om sterk te zijn en er hier nog iets van te maken. Samia drukte hem op het hart dat hij zelfs iemand anders mocht vinden: “Aan die uitgemergelde borsten van mij heb je de laatste tijd niet veel gehad, schat!” Tot haar laatste ogenblik was Samia ontzettend sterkt.

Geen haar op zijn hoofd sindsdien al eens aan een ander dacht. Ook al is het monster van de eenzaamheid is vaak sterker dan hij ooit had verwacht. Het liefst zou hij sterk zijn en de man zijn die hij vroeger was, maar daar komt hij vandaag niet toe. Alleen loslaten past nog bij het lege huis en de lange dag.

Hij gooit het met zichzelf op een akkoordje, terwijl hij loslaat: morgen herpakt hij zich. Harry pinkt een traan weg. Hij weet dat het een leugen is. Vorige keer liep hij zo drie weken rond. Ongewassen. Ongeschoren. Handen diep in de zakken van de kamerjas. Een dutje van tijd tot tijd om tijd te doden.

Harry dwaalt wat rond in het huis en komt  zichzelf ergens tegen in een spiegel.

“Jawadde, amaai, oh boy,” de kop lauwe koffie, die hem gezelschap hield op zijn dwaaltocht door het huis, spat in stukken uit elkaar op de grond: “Harry, toch. Waar ben je mee bezig?”

Een donkere paarse band strekt zich van links over de neus naar rechts. Beide wenkbrauwen staan gezwollen en de ogen rood doorlopen.

‘Nu weet ik tenminste waarom de koffie naar bloed smaakt!’

Harry laat de schabouwelijke aanblik en de scherven voor wat ze zijn en sloft verder door het huis. Hij mijdt de kamers met spiegels. In andere kamers gooit hij herinneringen stuk.

“Sadist,” roept hij naar een God ergens hierboven: “Crapuleus stuk onbenul. Bliksem me dood als je durft. Toe dan! zodat ik je een lesje kan leren!”

Zoals wel vaker luistert God niet.

Of toch? Ergens onderweg in een kast vindt Harry zomaar een fles whisky. Glenfarclas 1962. En nog een andere ook.

klik hier voor deel 7

terug naar deel 5

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

55 woorden, attempting 55 words

rivier

 

Niet makkelijk zo’n 55-woorden-wedstrijd.

and an attempt to turn it into 55 words


Weights 

Eventually he chooses water. Tired of tides. Next to him some words. For someone. For later.

Purple haired, she looks old. A bicycle drove her this far.

A miracle. She never loved the days herself. But still around.

Shredded words flit like butterflies.

A few hours later…

Honey, I’m home!”

At least today.

Hashtag scared and lonely too (english version)

tram

pixabay

That no one else would ever take her place, the widower had sworn. He had done so in front of the church and for all to hear. At least those who could understand the stammering of the heartbroken man. “Our house will forever be too big from now on,” he had said, and whilst doing so he had moved almost everybody to tears.

She, on the other hand, pretty much single by nature, had lost count of all of the lonely years she had survived. But she never lost hope. Somewhere out there in the world there was someone for her to love. Someone to love her back. Sometimes it seemed as if she was about to explode with love: so much she had kept in, so much she had to give.

Maybe, just maybe, she desired sometimes on the streetcar: maybe he is the one for methat charming man over there. Every day he gave up his seat, with a friendly and inviting gesture, to an old lady going God-knows-where, and clung himself to a bar strap instead. Balancing, and at the mercy of the operator.

Every now and then he slid his eyes over the angelic being.

Often, she had to blow her hair out of her eyes whilst reading. Sometimes that didn’t help at all. Then she had to curl it around two fingers and tuck the tress behind one ear. Good to go for a few pages more.

Sometimes she looked up. Ever so briefly, before losing herself in one of her books again.

Sporadically eyes met. He always looked away. He always tried not to look. He didn’t want to stare. And had he not solemnly pledged to stay alone the rest of is life? And even though she sat there, chillingly beautiful, beauty is never indulgence for grief, he figured.

She loved how the meeting of gazes rendered him red around the cheeks, and how he always looked away seconds late. In a world in which one always had to be wary, she saw right through him, and had found nothing but uncertainty and a kind heart. Some devastation too.

For a while now she had been going about her business with an oversized handbag, way too big for just one book and a day at the office. She had a plan. And that day she deemed the stars finally favourable.

So far she had succeeded in sitting next to her bag all by herself. And when a teenager had laid eyes on the not so vacant seat, she felt confident enough to scare him away: “Sorry, lad, not yours for the taking.”

And the teenager, deprived of some extra sleep and his sense of honour had asked: ‘Whose  is it then, and who put you in charge of the streetcar?”

And she pointed at the man who just had offered his seat to an old lady going God-knows-where. His.

The man looked up, and saw how she gestured that there was a vacant seat next to her. Oh, there you have it again that feeling, he thought, heart racing down his throat and a strange sensation in the lower abdomen. Before he could look away she beckoned him again.

Ho, no. Oh, yes. Oh, no. Whatever.

He put his newspaper in the armpit, made himself as thin as possible and headed towards the angel.

“Sorry, coming through” “Excuse me!” “May I?”

I‘ll just tell her how beautiful she is, he told himself, unaware of a certain someone contemplating revenge.

Hate driven the teenager lifted his foot just, just when the streetcar started taking up speed. The man stumbled, slipped and fell. Face forward. On her lap.“Oh, crap,” she heard him stammer.

His hands felt each of her breasts, when he tried to get up. Clumsily grabbing for something to hold on to.

“Oh, no,” he shook his head, when he became most aware of the delicate matter he got himself involved in.

“No, no, no, not me,” he muttered.

How was he to know that she didn’t mind at all? She loved the scent he carried with him. It reminded her of the soap she used when she was still a little girl. She felt overwhelmed and week on the inside. Ran her fingers through his hear, she dared not, but she would have loved to.

The streetcar ground to a halt, to let some more people on. The man hastily jumped of, shouting out how sorry he was. Leaving his newspaper on her lap.

#MeToo,” the headline kept screaming. And on the same page a very sick individual had felt the need to divide the world in two. Shit holes and great countries.

Full of newly found self-esteem the teenager tapped her on the shoulder.

That seat no longer taken, I assume! ‘

No it isn’t,” she replied grumpily: ‘ but I’ll scratch out your eyes if you dare take it! ”

To point out that she wasn’t joking, she gave the seat next to her three encouraging pats.

The man was never to be seen again. But she still takes the streetcar to the office. Hoping for a second chance one day. And because no one else does (anymore), she always offers her seat to that old lady going God-knows-where .