Harry, gewoon Harry (Deel 6) (willekeurige variant op een parabel)

oprijlaan

Het eerste daglicht wurmt zich gretig door spleten en kieren. Harry slaat zijn armen rondom zijn hoofd. Maar alleen op een bed voor twee er is geen ontsnappen aan de dag.

Harry krijgt zijn ogen niet volledig open en ook niet volledig dicht. Onscherp start hij de rituelen van de ochtend: koffie en een boterham. Muziek in de goede volgorde schudden lukt ook al niet niet vandaag.

Happy Hour: te vrolijk.

Nine While Nine: te vrolijk.

A Hundred Years: te lichtvoetig voor de dag.

Harry weet dat het weer zo’n dag wordt en legt de i-pod opzij. Ongewassen. In kamerjas. Rolluiken dicht. En hopen dat de volgende minuut sneller gaat dan de vorige. En hij weet al te goed dat Samia het zou haten dat hij zo doet. Aan haar sterfbed had hij nog stellig beloofd om sterk te zijn en er hier nog iets van te maken. Samia drukte hem op het hart dat hij zelfs iemand anders mocht vinden: “Aan die uitgemergelde borsten van mij heb je de laatste tijd niet veel gehad, schat!” Tot haar laatste ogenblik was Samia ontzettend sterkt.

Geen haar op zijn hoofd sindsdien al eens aan een ander dacht. Ook al is het monster van de eenzaamheid is vaak sterker dan hij ooit had verwacht. Het liefst zou hij sterk zijn en de man zijn die hij vroeger was, maar daar komt hij vandaag niet toe. Alleen loslaten past nog bij het lege huis en de lange dag.

Hij gooit het met zichzelf op een akkoordje, terwijl hij loslaat: morgen herpakt hij zich. Harry pinkt een traan weg. Hij weet dat het een leugen is. Vorige keer liep hij zo drie weken rond. Ongewassen. Ongeschoren. Handen diep in de zakken van de kamerjas. Een dutje van tijd tot tijd om tijd te doden.

Harry dwaalt wat rond in het huis en komt  zichzelf ergens tegen in een spiegel.

“Jawadde, amaai, oh boy,” de kop lauwe koffie, die hem gezelschap hield op zijn dwaaltocht door het huis, spat in stukken uit elkaar op de grond: “Harry, toch. Waar ben je mee bezig?”

Een donkere paarse band strekt zich van links over de neus naar rechts. Beide wenkbrauwen staan gezwollen en de ogen rood doorlopen.

‘Nu weet ik tenminste waarom de koffie naar bloed smaakt!’

Harry laat de schabouwelijke aanblik en de scherven voor wat ze zijn en sloft verder door het huis. Hij mijdt de kamers met spiegels. In andere kamers gooit hij herinneringen stuk.

“Sadist,” roept hij naar een God ergens hierboven: “Crapuleus stuk onbenul. Bliksem me dood als je durft. Toe dan! zodat ik je een lesje kan leren!”

Zoals wel vaker luistert God niet.

Of toch? Ergens onderweg in een kast vindt Harry zomaar een fles whisky. Glenfarclas 1962. En nog een andere ook.

klik hier voor deel 7

terug naar deel 5

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

55 woorden, attempting 55 words

rivier

 

Niet makkelijk zo’n 55-woorden-wedstrijd.

and an attempt to turn it into 55 words


Weights 

Eventually he chooses water. Tired of tides. Next to him some words. For someone. For later.

Purple haired, she looks old. A bicycle drove her this far.

A miracle. She never loved the days herself. But still around.

Shredded words flit like butterflies.

A few hours later…

Honey, I’m home!”

At least today.

Harry, gewoon Harry (Deel 5) (willekeurige variant op een parabel)

 

max

Wat en hoe Harry ook probeert, hij krijgt zijn ogen niet scherpgesteld op het oranje licht van de wekkerradio. Dag kan het nog niet zijn, want het is nog donker buiten. Slaapdronken onderneemt hij een nieuwe poging om te zien hoe laat het is. De cijfers blijven vaag en werpen een oranje schijnsel over het nachtkastje. ‘God, ja,’ denkt Harry: ‘ik doe er nog wat heerlijk vergeetachtige slaap bovenop!’

Hij hoopt verder te dromen van de krakers in zijn huis aan zee, en hoe hij hartelijk de sleutels overhandigt. “Hier, alsjeblief, blijf gerust zolang jullie nodig achten. Ik haal straks nog wat te eten voor in de koelkast, zodat er iets te eten is.”

Badplaatsbewoners klampen hem langs alle kanten aan in de supermarkt en vragen of hij nu helemaal gek geworden is. “Vreemdelingen onderdak geven, hoe is dat nu in godsnaam mogelijk?” Iemand gooit een ei naar zijn hoofd. En nog een. “Idioot. Ellending! Apen-lover! Terroristen-vriend! We maken je kapot!”

En dat ze de burgemeester gaan verwittigen, ook dat moet doorgaan als dreigement. Harry haalt gewoon de schouders op. Zelfs een derde ei raakt zijn koude kleren niet. Hij vraagt zich wel af waar hij en Samia precies met hun gedachten zaten toen ze hier destijds een wansmakelijk dure lap grond kochten op een steenworp van het Zwin.

Een vervolg dromen lukt Harry niet. Hij stapt gewoon in een andere droom. Een heerlijke droom. Een ongewoon mooie droom. De droom is van zwart en wit, en toch zijn er kleuren. Het beeld voelt akelig vertrouwd aan.

De dijk staat vol met voertuigen die net niet synchroon blauwig licht op het strand werpen. Boven de dreigende zee draait een helikopter rondje na rondje. Max, de hond, wacht op het strand. Opgelaten. Tong uit de mond. Schuldige ogen. De zon komt op. En de bundel licht die vanuit de helikopter naar een teken van leven speurt neemt af in kracht.  Op de dijk gaan de kopjes naar beneden en hier en daar wordt er al van neen geschud.

Harry, voelt hoe het koude water hem verlamt. Op de dijk ziet hij Samia en Tim. Harry laat los. Dat mag nu.

“Ik hou van jullie,” roept hij nog, maar de draaiende rotorbladen van de helikopter versmachten zijn woorden. Alleen Max lijkt ze te horen. Onrustig kermend loopt hij over en weer op het strand. Harry zakt opgelucht naar de bodem. Tim leeft nog. Zo hoort het. Zo is het goed.

klik hier voor deel 6

terug naar deel 4

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Harry, gewoon Harry (Deel 4) (willekeurige variant op een parabel)

 

hospitaal

Op zondag duwt Harry zijn karretje met lees- en luisterboeken door de ziekenhuisgangen. Er is veel vraag naar luisterboeken. Harry maakt er notitie van, op een blauwe post-it die hij op het dashboard van zijn wagen hangt. Nieuwe luisterboeken. Veel. Enkele mp3-spelers. 

Daaronder hangt een gele post-it.

Huis aan zee. 

Hij moet daar dringend nog eens heen. Om te zien of het er nog een beetje ordentelijk bijligt voor de verkoop. En om na te gaan welke herinneringen hij er nog heeft weg te halen. ‘Misschien zitten er krakers in,’ denkt hij bij zich zelf. Hij geniet stiekem van die gedachte, en kan een monkellach amper onderdrukken  ‘Dat zou wat zijn, krakers! In Knokke. Zalig. Briljant.’ 

Nadien trekt zijn aangezicht weer somber. Hij wil er niet naartoe. Liefst van al wil hij vergeten dat het huis er staat. Wat hem betreft mag het opgeslokt worden door de zee. Harry, stuurt zijn wagen naar de kant van de weg, en bonkt zijn voorhoofd een keer of drie tegen het stuur. Hij barst in tranen uit, en bonkt, nu met het volledige aangezicht, nog een keer of drie tegen het stuur. Uit elk neusgat loopt een lijntje bloed.

Zo gaat het steeds. Soms lijkt het er héél even op alsof het beter gaat met Harry, alsof het gaat lukken, alsof hij eindelijk weer zijn draai schijnt te vinden, maar dan stuurt één onbewaakte gedachte hem terug naar af…

‘Onze Tim werd ook opgeslokt door de zee.’

Het is nog steeds een ondraaglijke gedachte. Het kost Harry nog enkele bonken op het het stuur en veel aanmoedigend gevezel, alvorens hij zichzelf bij elkaar kan rapen. Rijden lukt niet meer. Zijn ogen staan bloeddoorlopen, blauw en gezwollen. ‘Herpak je toch gewoon, Harry. Verman je.’

Harry plukt de post-its van het dashboard en belt een taxi.

De opgeschrikte taxi-chauffeur vraagt of hij Harry toch niet beter naar een ziekenhuis of een dokter brengt. Dat moet niet van Harry, en hij wuift het aanbod weg: “Neen, hoor, ik kan wel tegen een stootje.”

Thuis schrijft Harry snel nog wat zaken op de kalender. Hij verfrommelt de post-its en gaat slapen. Hij droomt heerlijk van krakers in zijn huis.

klik hier voor deel 5

terug naar deel 3

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Harry, gewoon Harry (Deel 3) (willekeurige variant op een parabel)

 

te koop

Het is zaterdag, dus Harry slaapt wat langer en hij wordt wat trager wakker. De rest van het ochtendritueel ziet er zo min of meer hetzelfde uit. Behalve dan het gepocheerde eitje met garnalen, dat is typisch voor een zaterdag. Alsook een vers gestreken kamerjas. Voor de rest komt alles een gewoon uurtje later.

Het nieuws op de radio is alvast even baldadig. Presidenten liggen op ramkoers, het land weigert nog zorg te dragen,  de zwaksten dienen gestraft. Weg uit die comfortabele hangmat! Harry schudt het hoofd en vraagt zich af in wat voor een wereld hij leeft en of het zou helpen als hij zijn wang knijpt.

Hij knijpt in zijn wang. Het helpt niet.

Harry zet de radio uit en schudt met één druk de liedjes op zijn i-pod door elkaar.

“Briljant,” Hij danst een wankel walsje rond de tafel en pinkt een traan weg. Hij doet dat de laatste tijd wel vaker: een potje bleiten op muziek. Onlangs nog barstte hij in tranen uit op de tonen van Kizmiaz. Gewoon omdat hij en zijn vrouw er zo ontzettend van hielden, er zo moesten om lachen en er zo vaak op dansten.

Het scheelde maar een haar of het werd hun trouwliedje. Gewoon om de goegemeente te schofferen. Helaas nam gezond verstand de bovenhand. Daar had hij soms spijt van.  ‘Dat zou nogal wat geweest zijn, Kizmiaz in de kerk. En ‘s avonds op de dansvloer nog een keer, als openingsdans!’  Tranen maken plaats voor een glimlach en Harry walst naar de trap en dan richting douche.

Wow, beste shuffle in dagen,’ denkt Harry, wanneer hij heupwiegend de douchekraam opendraait. Zesendertig dagen en negen uren aan muziek laten zich niet makkelijk schudden tot een volgorde die past bij de dag. Maar vandaag zijn de liedjes gewillig.

Harry, geeft zichzelf een klap op het voorhoofd, wanneer hij de bel hoort. Hij haast zich in zijn kleren en rept zich mopperend naar beneden: “Harry, toch.”

“Amaai, dat is hier ook niet gewoon, meneer,” zegt een goedlachse dame.

“Zeg, maar gewoon Harry,” zegt Harry.

“Oprijlaan op wandelafstand,” stelt ze glimlachend vast.

Hij verontschuldigt zich: “Ik was vergeten dat je kwam. Zou het lukken op een uurtje, want ik ben cliniclown vandaag. Ik doe dat haast elke zaterdag.”

Het lukt op een uurtje. Harry voelt dat de dame  enthousiast is over het huis. Ze zegt dat ook en maakt geen probleem van de vraagprijs. Ze vraagt of ze enkele dagen bedenktijd kan krijgen.

Dat kan. Harry is niet gehaast.

Hij vertrouwt haar toe dat de vraagprijs voor het spiegelhuis in Knokke, vier keer hoger ligt. Nochtans, tot in de kleinste details, krek hetzelfde huis. De dame vraagt zich luidop af wie in godsnaam zoiets verzint: “een spiegelhuis?”

“Onze zoon had Asperger,” vertelt Harry haar met een krop in de keel: ”het leek ons wel een goed idee om gewoon hetzelfde huis neer te planten in Knokke.”

Harry en de dame spreken later die week nog eens af.

De dame stuurt haar wagen over de bochtige oprijlaan. Harry volgt in haar kielzog, richting ziekenhuis, cliniclown spelen. Hij doet dat liever dan het bibliotheekkarretje door schier eindeloze gangen  duwen, maar ook dat moet gebeuren. Boeken brengen is voor morgen.

klik hier voor deel 4

terug naar deel 2

 

 

 

 

 

 

Harry, gewoon Harry (Deel 2) (willekeurige variant op een parabel)

koterhaak

Harry, staat op en zet koffie. Hij hoeft niet naar de kalender te kijken om te weten dat de dag niet veel brengt. Nietjes en  lamineerhoezen, dat is het zowat. Tijd zat voor een babbel met Max, de hond, die al jaren in de tuin begraven ligt.

Ja, Max, wie had ooit gedacht dat ik tegen een dood beest zou staan praten doorheen het keukenvenster? Hoe zielig is dat?”

De radio brengt, net als gisteren, slecht nieuws en sombere tijdingen. Harry zet de radio uit en de muziekspeler aan op shuffle. Op de tonen van Steamhammer Sam, een lang vergeten parel van Intaferon, stapt Harry onder de douche.

Muziek die past wel bij het nieuws van de dag, staat vast.’ denkt hij.

Geld als enige maat der dingen. De mens ontdaan van mededogen en menselijkheid.’

De rest van de dag overkomt Harry. Hij stelt vast dat hij eerst nietjes en lamineerhoezen haalt. Nadien belandt hij op het bankje ergens in een uithoek van het park. Hij zit daar een tijdlang. Een meeneemkoffie houdt hem gezelschap. De wind staat guur en strak. Weer dat bij hem past.

Harry, stopt in brasserie De Kotelet, voor een dagschotel. Voor service en kwaliteit moet een mens niet in de Kotelet zijn. Wel voor veel en goedkoop. Quinoa is er een scheldwoord. En Marjet, de gastvrouw, wijst je graag schouderophalend en hoofdschuddend de deur als het over gluten en lactose gaat. Zo heeft ze meer tijd om zware servetten te plooien in vorm van een sierlijke zwaan. De aanblik alleen van een berg spinazie-stoemp met worst en donker bruine saus doet Harry spontaan naar het hart grijpen. Veelal is Harry er de enige klant.

Na De Kotelet trekt Harry naar cafe De Koterhaak even verderop, In café de Koterhaak krijgt hij zijn pintje en een kwartier nog een, zonder daar om te vragen. Nadine vraagt zich vaak af  hoe met hem is nu, na al die miserie op zijn weg. Maar ze weet ook dat het zo hoort te lopen: een pintje, en nog een pintje, geen goeiedag, geen vragen, geen woorden. Op de toog legt Harry een biljet, en Nadine weet dat ze het wisselgeld mag houden.

‘Ik ben thuis,’ roept Harry in de gang, wanneer hij ‘s avonds thuiskomt. Hij doet dat om eventuele inbrekers te waarschuwen, want er wordt nogal wat ingebroken de laatste tijd daar in de buurt. Er wordt van een heuse plaag gesproken. Maar diep vanbinnen ook omdat hij hoopt dat Samia en Tim gewoon thuis zijn, de laatste jaren een droom waaruit hij enkel  moet ontwaken.

Harry, zet de zak met nietjes en lamineerhoezen op de keukentafel, naast de zak met nietjespistool en lamineermachine.

Met een scherp mes opent hij voorzichtig de verpakking. Hij slaat zich voor het hoofd. Het nietjespistool kwam met een rij gratis nietjes. Hij slaat zich terug voor het hoofd. De lamineermachine kwam met 3 gratis hoezen. ‘Hoe dom!’

Uit de ehbo-kast haalt Harry een flesje ontsmettingmiddel, en enkele pleisters. ‘Eens proberen, zie,‘ denkt hij. Hij ontbloot de borstkas en schiet er lukraak drie nietjes in.

“God nog aan toe, dat doet pijn!” Vervolgens schiet hij er één in de handpalm en ook één net boven de knie, om het af te leren.

“Godsamme.” Hij besluit dat het nogal meeviel in borstkas en hand. Vol in die knie, dat kan hij zich beter laten. Hij ontsmet de kleine gaatjes en doet er pleisters op. Nadien poetst hij zijn tanden en gaat slapen. ‘Morgen CC.’

Vandaar misschien die zweem van een glimlach sinds lang.

klik hier voor deel 3

Terug naar deel 1

 

 

Hashtag scared and lonely too (english version)

tram

pixabay

That no one else would ever take her place, the widower had sworn. He had done so in front of the church and for all to hear. At least those who could understand the stammering of the heartbroken man. “Our house will forever be too big from now on,” he had said, and whilst doing so he had moved almost everybody to tears.

She, on the other hand, pretty much single by nature, had lost count of all of the lonely years she had survived. But she never lost hope. Somewhere out there in the world there was someone for her to love. Someone to love her back. Sometimes it seemed as if she was about to explode with love: so much she had kept in, so much she had to give.

Maybe, just maybe, she desired sometimes on the streetcar: maybe he is the one for methat charming man over there. Every day he gave up his seat, with a friendly and inviting gesture, to an old lady going God-knows-where, and clung himself to a bar strap instead. Balancing, and at the mercy of the operator.

Every now and then he slid his eyes over the angelic being.

Often, she had to blow her hair out of her eyes whilst reading. Sometimes that didn’t help at all. Then she had to curl it around two fingers and tuck the tress behind one ear. Good to go for a few pages more.

Sometimes she looked up. Ever so briefly, before losing herself in one of her books again.

Sporadically eyes met. He always looked away. He always tried not to look. He didn’t want to stare. And had he not solemnly pledged to stay alone the rest of is life? And even though she sat there, chillingly beautiful, beauty is never indulgence for grief, he figured.

She loved how the meeting of gazes rendered him red around the cheeks, and how he always looked away seconds late. In a world in which one always had to be wary, she saw right through him, and had found nothing but uncertainty and a kind heart. Some devastation too.

For a while now she had been going about her business with an oversized handbag, way too big for just one book and a day at the office. She had a plan. And that day she deemed the stars finally favourable.

So far she had succeeded in sitting next to her bag all by herself. And when a teenager had laid eyes on the not so vacant seat, she felt confident enough to scare him away: “Sorry, lad, not yours for the taking.”

And the teenager, deprived of some extra sleep and his sense of honour had asked: ‘Whose  is it then, and who put you in charge of the streetcar?”

And she pointed at the man who just had offered his seat to an old lady going God-knows-where. His.

The man looked up, and saw how she gestured that there was a vacant seat next to her. Oh, there you have it again that feeling, he thought, heart racing down his throat and a strange sensation in the lower abdomen. Before he could look away she beckoned him again.

Ho, no. Oh, yes. Oh, no. Whatever.

He put his newspaper in the armpit, made himself as thin as possible and headed towards the angel.

“Sorry, coming through” “Excuse me!” “May I?”

I‘ll just tell her how beautiful she is, he told himself, unaware of a certain someone contemplating revenge.

Hate driven the teenager lifted his foot just, just when the streetcar started taking up speed. The man stumbled, slipped and fell. Face forward. On her lap.“Oh, crap,” she heard him stammer.

His hands felt each of her breasts, when he tried to get up. Clumsily grabbing for something to hold on to.

“Oh, no,” he shook his head, when he became most aware of the delicate matter he got himself involved in.

“No, no, no, not me,” he muttered.

How was he to know that she didn’t mind at all? She loved the scent he carried with him. It reminded her of the soap she used when she was still a little girl. She felt overwhelmed and week on the inside. Ran her fingers through his hear, she dared not, but she would have loved to.

The streetcar ground to a halt, to let some more people on. The man hastily jumped of, shouting out how sorry he was. Leaving his newspaper on her lap.

#MeToo,” the headline kept screaming. And on the same page a very sick individual had felt the need to divide the world in two. Shit holes and great countries.

Full of newly found self-esteem the teenager tapped her on the shoulder.

That seat no longer taken, I assume! ‘

No it isn’t,” she replied grumpily: ‘ but I’ll scratch out your eyes if you dare take it! ”

To point out that she wasn’t joking, she gave the seat next to her three encouraging pats.

The man was never to be seen again. But she still takes the streetcar to the office. Hoping for a second chance one day. And because no one else does (anymore), she always offers her seat to that old lady going God-knows-where .

 

 

Hashtag scared and lonely too

tram

bron: pixabay

Dat er nooit iemand anders in haar plaats zou komen had de weduwnaar gezworen. Vooraan in de kerk nog wel, en aan iedereen die het enigszins kon verstaan tussen het gebroken gesnotter door. ‘Ons huis is nu voor altijd te groot,’ had hij mooi en tot tranen toe bewogen de eredienst besloten.

Zij kon de eenzame jaren al lang niet meer op één hand tellen, maar ze was al die tijd blijven hopen dat er ergens op de wereld wel iemand was die van haar houden kon. Ze had al zoveel liefde opgespaard. Soms leek het alsof ze op ontploffen stond: zoveel te geef.

Misschien wel aan hem, dacht ze soms. Die charmante, vriendelijke man. Dagelijks stond hij met een uitnodigend gebaar zijn plekje af aan een stokoude dame, die god weet waar naartoe ging. En hij hield hij zich dan maar recht aan de stang. Ternauwernood soms. Nooit ging het anders op die overvolle tram.

Balancerend als een koorddanser en overgeleverd aan de grillen van de wattman, gleden zijn ogen van tijd tot tijd over het engelachtige wezen dat ze was. Ze had voortdurend haren uit haar ogen weg te blazen bij het lezen. Soms hielp blazen niet. Dan draaide ze het rond twee vingers en in één beweging door verstopte ze de lok vingervlug achter een oor. Zo kon ze weer enkele bladzijden door.

Soms keek ze even op alvorens ze weer in haar boek dook. Hij keek dan weg. Want staren, neen, dat wilde hij niet. Zo was hij niet. En had hij niet plechtig gezworen voor eeuwig en altijd alleen te blijven? Haar angstaanjagende schoonheid was geen aflaat voor verdriet.

Sporadisch kruisten hun blikken. En de manier waarop hij rood op de wangen werd, en de ogen onhandig en telkens te laat naar de grond richtte, daar kreeg ze het warm van. In een wereld waarin ze op haar hoede had te zijn, zag ze dwars door hem heen. Hoogst onzeker en alleraardigst was die man.

Al een tijd liep ze dan ook rond met een plan in  haar hoofd, en een veel te grote handtas voor één boek en een gewone dag op kantoor. Klaar om haar slag te slaan. En die dag leken de sterren haar eindelijk gunstig gezind. De ganse rit al was het gelukt om alleen naast haar handtas te zitten. En toen een tiener zich in de overvolle tram naar het vrije plekje wrong had ze hem kordaat doorverwezen: “Sorry, kerel, deze plaats is niet vrij.”

En de jonge kerel, die -zoals dat hoort voor studenten- overleefde op chronisch slaaptekort en een gebrek aan hygiëne, had zich druk gemaakt.

“Ja voor wie dan?’ snauwde hij haar toe: ”Wie heeft jou chef van de tram gemaakt?’

Zoals dat dan gaat op dagen waarop alles lijkt mee te zitten, wees ze naar de man die net zijn plek had afgestaan aan een stokoude dame, die god weet waar naartoe ging.

“Voor hem.”

De man wendde veel te traag de blik af, en zag hoe ze gebaarde dat er naast haar een plekje voor hem was.

Oh, daar heb je het weer, dacht hij.

Hij dacht aan het bonzen in zijn keel, aan dat weeë gevoel in de onderbuik, aan de prikkeling in zijn voorhoofd. En opnieuw gebaarde ze dat er plaats voor hem was. Opnieuw waren zijn ogen veel te traag.

Oh, nee. Oh, ja. Eindelijk.

Hij stak zijn krant onder de oksel, maakte zich zo smal hij kon en baande zich voorzichtig en verontschuldigend een weg naar de engel verderop.

“Sorry.” “Excuseer!” “Mag ik even?”

Ik vertel gewoon hoe mooi ze is, maakte hij zich gaandeweg sterk. Zich niet bewust van de snaak die op wraak zinde.

Baldadig en op brokken belust tilde hij zijn voet net hoog genoeg om zich van een tuimelperte te verzekeren toen de tram snelheid nam.

Voorovergebogen struikelde de man in haar schoot. “Oh, shit,” hoorde ze hem stamelen. Elk van zijn handen gleed tastend en onhandig over haar borsten, terwijl hij -grabbelend en houvast zoekend- recht probeerde te veren. “Oh, nee,” schudde hij, toen er zich in zijn hoofd een haarscherp beeld vormde van de netelige positie waarin hij verzeild was geraakt. “Neen, neen, neen, zeg alsjeblief dat het niet waar is, niet ik ook,” jammerde de man.

Het was wel waar, maar zij vond dat allerminst erg. Op zich droeg hij de de geur van zeep die haar herinnerde aan haar kindertijd. En ze voelde zich overheerlijk en week vanbinnen. Ze had met haar vingers zijn hoofd willen strelen, om hem gerust te stellen en te zeggen dat het oké was.

De tram kwam aan op de volgende halte. Als een hazewind, en wel duizendmaal sorry roepend, dook hij naar buiten.

Op haar warme schoot schreeuwde de krant van de dag #MeToo.

En dat had je die jonge kerel weer. Hij tikte haar op de schouders.

“Ik denk dat die plaats niet meer bezet is!’

“Zo is dat,” antwoordde ze kribbig: ‘maar ik krab voorwaar je ogen uit als je een poging durft te ondernemen!” Om te tonen dat het haar menens was, gaf ze de stoel naast haar drie bemoedigende kletsen.

Het is onduidelijk hoe de man verder verging. Hij liet zich nooit meer zien. Maar zij neemt nog steeds de tram. Elke dag opnieuw, innig hopend op een tweede kans. En omdat niemand anders het doet staat zij nu haar plaats af aan een stokoude dame, die god weet waar naartoe gaat.

 

Bye bye zwaai zwaai (kortverhaal: deel 6 van 6)

Bee, Sting, Honingbij, Vleugels, Honing

Het is een wijdverspreid misverstand dat herfst het seizoen is voor het binnenhalen van de oogst en dat het land tot dan gewoon wat kleurrijk staat te wezen. Al vroeger op het jaar is het land vrijgevig, voor wie het koesterde en met zorg heeft bewerkt. Ook al ligt dat land ergens 17 hoog op een klein terras.

Het zette Wilfred aan het denken. Hij dacht aan de kalender van de natuurvereniging, die een betrouwbare gids voor de nieuwbakken stadsboer bleek te zijn.

‘Misschien,’ zo stelde hij voor: ‘misschien kunnen we de Koningin Van Onderland en haar gemaal eens vragen om iets te komen eten. Hij bedoelde de ouders van Myriam. Ze waren die zo gaan noemen in de loop der jaren.

”t Is dankzij hun kalender dat ik er weer bovenop kwam.’

Myriam zag dat niet echt zitten, één keer per jaar was, wat  haar betrof, meer dan genoeg: ‘Ze hebben je nooit aanvaard, en staken ons voortdurend stokken in de wielen.’

Wilfried knikte instemmend: ‘Ja, maar we hadden ze  heus niet nodig om van ons twee een puinhoop te maken. Dat kregen we helemaal zelf voor mekaar, zonder hun hulp.’

‘Ik zie het al,’ zei Myriam dan: ‘je wil voet bij stuk houden. Wel, ik hou je niet tegen. Maar kom achteraf niet klagen.’

Enkele weken later stonden ze daar. Ze hadden plaats moeten zoeken in hun drukke agenda. Met de daver op het lijf stonden ze daar, want het was altijd met de daver dat ze daar stonden: zo’n buurt.

‘Hoe houden jullie het hier vol in dat koterhol?’ zei de Koningin, de neusvleugels optrekkend met een overschot aan minachting. Haar gemaal deed in haar zog, en hoofdschuddend, precies hetzelfde.

‘Goed begonnen is half gewonnen,’ troostte Wilfred zichzelf, vastbesloten om zich niet uit zijn lood te laten slaan.

‘We hebben alles zelf gekweekt op het terras, met de hulp van jullie zaaikalender,’ zei Wilfred trots, wanneer hij de schaal met een kleurrijke variatie tomaten aan de tafel bracht. De Koningin Van Onderland trok alweer de neus op.

Het werd een lange avond, hoe vriendelijk Wilfred ook probeerde te zijn. De radijzen smaakten naar aarde, de wortels waren schots en scheef, de tomaten hadden vreemde bruine vlekjes, de wijn had iets krachtiger gemogen, een andere druif ware beter geweest… Het hield niet op. Myriam zag hoe Wilfred, steeds meer voorovergebogen, pogingen bleef ondernemen om vriendelijk te blijven. Maar het bracht geen zoden aan de dijk.

‘Man, die basilicum is veel te straf!’ De Koningin Van Onderland spuwde het halfgekauwde goedje in een servet.

‘Oh,’ lachte Wilfred: ‘je hebt het smaakpallet ontwikkeld van het moderne supermarktvolk. Mensen weten gewoon niet meer hoe verse basilicum echt smaakt. Voor ons was het ook even wennen.’

‘Ik heb wat?’ snauwde de koningin nijdig.

Myriam zag dat het tijd was om in te grijpen.

‘We gaan onze eigen honing maken ook.’

‘Jullie gaan wat?’

‘Honing maken. Boven op het dak.’

‘En brengt dat wat op die honing, want het stuk bouwgrond in Wevergem gaat daar niet blijven liggen wachten op jullie!’

Daar zijn ze weer met dat verdomde stuk bouwgrond!

‘Nog niks,’ wuifde Myriam de vraag weg: ‘We hebben drie kasten, maar het is ons nog niet gelukt om een zwerm te lokken. Maar op een dag is het zover. Misschien is het vandaag al zover. Kom even mee kijken, kom.’

De Koningin Van Onderland en haar gemaal vertikten het om mee naar de kasten te gaan kijken, want het was zo hoog en de lift was weer kapot. En aldus trokken Myriam en Wilfred alleen naar het dak, het mokkende koppel achterlatend. ‘Tot straks!’

Ondanks het gebruik van het beste lokmiddel, was er ook vandaag geen zwerm op het dak neergestreken. ‘Oh, morgen beter,’ zei Wilfred.

‘Inderdaad, maar wat doen we met die twee beneden? Buiten bonjouren of nog even proberen?’

‘Nog even proberen, zeker,’ twijfelde Wilfred. En terwijl hij twijfelde werd hij opgeschrikt door een hevig gekraak, dat nog het meeste leek op de eerste droge en knerpende bliksemschicht vlak voor een onweer, op het einde van een loden dag. En tegelijk weerklonk de echo van een doodskreet.

Wilfred wist het zeker: ”t Is zover, het terras van den dikken heeft het begeven! Kom, naar beneden!’ Myriam en Wilfred haastten zich naar beneden. En bonkten en schopten als bezeten op de deur van den dikken. Het appartement was tot op de naad versleten, maar de deur zelf gaf zich niet gemakkelijk gewonnen.

Gelukkig kwam den dikken de deur zelf opendoen. ‘Kalm! Kalm!’

‘Dikken, ge leeft nog!’

Wilfred en Myriam duwden hem weg, liepen doorheen de living en hingen sprakeloos en krom gebogen over de balustrade van het terras. Beneden lagen één s-vormige en één y-vormige figuur, omgeven door gebroken kratten, aarde en groensel. In de verte weerklonk het aanzwellende geluid van sirenes.

In en ver buiten de stad wordt vanaf hier deze historie steeds anders verteld.

Dat Wilfred en Myriam van de woningmaatschappij nadien veel geld, wel miljoenen,  hebben gekregen. Dat alle terassen daaronder tergend traag en één voor mee in de diepte gingen, als pesterige dominostenen welhaast. Dat Wilfred schouderophalend op het terras van den dikken had gezegd: ‘Wel, wel, wel, we zullen het nu in Wevergem moeten proberen. Dat Myriam Wilfred sindsdien al zeven keer heeft laten zitten. En dat de buurvrouw, tenslotte, Marieke van 17 32 C, 93 was ze, beweerde -stellig en zwerend op het graf van haar man zaliger- alles te hebben gehoord.

Een ouder wordende man was op het terras gaan staan, zo zei ze, om  te kalmeren. In de ene hand een glas wiskey, in de andere hand een dikke sigaar. Daar was ook een wat oudere dame bij komen staan, en voetenstampend was ze beginnen wenen: “Ik kan er niet meer tegen. Ik kan er niet meer tegen. De manier waarop ze leven.’

‘Ik weet het, liefste, ik weet,’ had de man gezegd: ‘Ze kunnen fluiten naar de bouwgrond.’ Maar de dame bleef nukkig met de voeten stampen tot het terras het krakend begaf. Al kon de agent, die haar ondervroeg achteraf, dat maar moeilijk geloven. Want bij elke vraag die hij stelde bracht Marieke een hand naar haar slechte oor en antwoorde zei ze, nuja, riep ze: ‘Wat?’. En dan zei ze stellig: ‘Je moet me excuseren, ik hoor precies niet meer zo goed sinds die huiveringwekkende krak!’

Zoveel staartjes voor het trieste verlies van twee levens, maar zelf hou ik nog het meeste van deze: het potje ‘Wifriam’, waarvan ik, bij het schrijven van dit verhaal, soms een lepeltje door mijn thee draai, is -eerlijk, echt waar- de beste ambachtelijke honing die ik ooit heb gegeten.