Hurricane Willem (4) english version

So. Yours truly brought you to the point where we have to start to tell the tale of Hurricane Willem. And we do have to admit: sad and all alone with his thoughts next to his father’s death bed it really doesn’t look as if little Willem will ever become a hurricane. But one has to start somewhere. And by now we have already firmly established that death is a perfect starting point.

It’ll also still take a while before the Hurricane will keep me company, day after day through radio waves, in the orphanage in an almost empty room. Thus to escape the   forlornness of being there. Surrounded by each saint one can think of, but left alone by God and his team of ill repute broddlers.

It’ll take even longer to arrive at the point where Hurricane himself makes sure that John Paul Young loses his image of a mayfly and has a huge hit with War Games (in the video arcade….)’.

Far inland between three cities and two rivers, where the ground laboriously aches its back to distance itself from the lowland, where coarse macadam roads, like wavering ribbons, nit villages together, that is where lay Hurricane’s transmission area.

Between then and now the world only became smaller, people who are well placed to know such things tell us that. Villages kept growing, until it became  difficult to tell them apart: one pile of bleak and grey. But now, just as then, this patch is  no man’s land. As if it doesn’t care about the rest of the world, it withdraws from the disconsolate mating ritual of houses with gardens, threes and children, and other illusions of superficial happiness. And right until this day it is the only place on earth where John Paul Young isn’t Mister Love Is In The Air, but Mister War Games himself.

The song firmly charted forty–three weeks in the regional top 10. A record that never got broken. Although Gangsters D’Amour with ‘S.O.S Barracuda’ came close with thirty-nine weeks in the same year.

Record companies and distributors noticed the strange events going on in the record stores of  that unsightly patch of the country. And many observer were set out to investigate this phenomenon. They all came back with the same piece of evidence: the Hurricane-proof sticker.

huproof

Every first monday of the month Huricane Willem turned a stencil sheet in his typewriter. And then, every month, he turned the sheet through the stencil machine.

Finally he pulled the lever twenty-four times. And then he brought twenty-four envelopes to the post office: one for each record store residing in radio Hurricane’s transmission area. That way the stores knew which kind of music was Hurricane-proof that month. At the bottom of the stenciled letter Willem reminded the stores of the prices for the hurricane proof stickers and how to order them. And boy did they order. Because everything with that sticker sold like hot cakes.

Everything is a bit exaggerated. Almost everything. Because once in while Willem had it wrong. It was somewhere around the end of 1989, when Willem returned from Londen, –always on the look-out for good music, with 146 copies af ‘Blew’ a nice little record from a great sounding band from Seatlle.

Immediately he fell in love with ‘Been A Son’, because it sounded like a smack in the face. ‘This is something different, this is good,’ Willem judged, and he bought every single copy he could lay his hands on in the city.

At home he immediately put Nirvana on top of the stencil sheet, with three pluses next to it. A rare privilege, because Willem used his pluses scarcely and well thought through. He kept two copies of ‘Blew’ for himself, and handed out six copies to each store. With the promise that had ordered more in London to keep up with demand.

But no mather how he tied, no matter how he loved the band, nobody seemed to feel the same way. Only a few copies got sold and landed on a turntable. It was such a disaster that Willem had to buy back all remaining stock from the stores, because he felt ashamed about his misjudgement. He even tried to give them away or free during his weekly radio quiz, and he called London to see if he could cancel his order. He could not.

During his last broadcast in 1990 he couldn’t resist reflecting back on many a great year. And he carefully placed the recod on the turn table one last time.

‘Listeners, buckle up for a bit of Nirvana. The first caller is welcome to pick up a copy of Blew here in the studio.’ Nobody called.

But, let us not forget where we were at the beginning of this chapter. Willem still has a lot to learn first.

 

Advertisements

Hurricane Willem (4)

Zo. Ondergetekende bracht jullie daar waar we te vertrekken hebben om het verhaal van Hurricane Willem uit de doeken te doen. En, grif toegegeven, zo wat triestig in zichzelf gekeerd aan het sterfbed van zijn vader zag het er echt niet naar uit dat Wilmke ooit de Hurricane zal worden. Maar een mens heeft natuurlijk ergens te beginnen. En inmiddels heeft de lezer proefondervindelijk zelf vastgesteld  dat de dood een uitgangspunt is dat kan tellen.

Het duurt ook nog wel even alvorens ondergetekende daar in dat troosteloze weeshuis in een kaal kamertje van ongeveer vier op vier dag na dag langs radiogolven het gezelschap van de Hurricane opzoekt, om zo te ontsnappen aan de troosteloosheid van de dagen. Omringd door beelden van zowat elke Heilige die men kan verzinnen, maar door God en zijn equipe van notoire prutsers danig in de steek gelaten.

Nog langer zal het duren voor we aankomen bij het punt waarop Willem Hurricane er in hoogsteigen persoon voor zorgt dat John Paul Young het imago van ééndagsvlieg van zich afschudt een dikke hit te pakken heeft met het ‘War Games (in the video arcade….)’.

Diep in het binnenland tussen drie steden en twee rivieren, daar waar de grond moeizaam de rug kromt en zich distantieert van de vlakte, daar waar bultige macadamwegen als wapperende linten onooglijke dorpen aan elkaar knopen, daar lag het zendgebied van de Hurricane.

De wereld werd er tussen toen en nu alleen maar kleiner op, zo zeggen mensen die dat blijkbaar kunnen weten. En dorpen steeds groter, tot ze haast niet meer van elkaar te onderscheiden zijn: één lomp grauw en grijs. Maar nu, net als toen, ligt dit stukje Vlaanderen er bij als niemandsland. Alsof het met de rest van de wereld niets vandoen heeft, onttrekt het zich aan de troosteloze paringsdans van huizen met tuintjes, kindjes en andere illusies van oppervlakkig geluk. Vandaag, net als toen, komt daar niemand langs die er niet moet zijn.  En tot op vandaag is het enige plek ter wereld waar John Paul Young niet Mister Love Is In The Air is, maar Mister War Games himself.

Het nummer stond liefst drieënveertig weken in de lokale top 10. Een record dat nooit meer werd geëvenaard. Al kwamen Gangsters D’Amour met ‘S.O.S Barracuda’ er in dat zelfde jaar met 39 weken wel bijzonder dicht bij. Het ontging de platenmaatschappijen niet  dat er vreemde dingen gebeurden daar in de platenwinkels van dat onooglijke stukje Vlaanderen.  En menig waarnemer werd uitgestuurd om dit eigenaardige fenomeen te onderzoeken. Allemaal kwamen ze terug met hetzelfde bewijsstuk: een Hurricane-proof-stickertje.

huproof-copy

Elke eerste maandag van de maand draaide Hurricane Willem een stencilvel in de typmachine. En elke maand opnieuw draaide hij het vel vervolgens door de stencilmachine.  Vierentwintig zwaaien aan de hendel. En elke eerste maandag bracht hij ’s avonds vierentwintig enveloppen naar de post: één voor elke platenwinkel binnen het zendgebied. Zo wisten de platenboeren welke muziek deze maand Hurricane-proof was. Onderaan de brief herinnerde Willem hen aan de prijs van een rol stickers en hoe deze te bestellen. De platenhandelaars bestelden gretig, want alles met zo een sticker ging als zoete broodjes over de toonbank.

Alles is veel gezegd. Meestal. Occasioneel durfde Willem de bal durfde mis te slaan. Het kostte hem soms veel geld. Zo was hij eind 1989, op zoek naar goeie muziek, uit Londen teruggekeerd met 146 exemplaren van ‘Blew’ een fijn plaatje met fijne liedjes van een fijn groepje uit Seattle. Vooral ‘Been A Son’ klonk als een welkome mokerslag vol in het gelaat. Dit is anders, amaai dit is goed,’ oordeelde Willem en hij kocht gewoon alle exemplaren die hij daar Londen op de kop kon tikken.

Thuis zette hij Nirvana helemaal bovenaan het stencilvel, met drie plusjes er bij. Willem sprong voorzichtig om met de plusjes, maar dit was zo anders zo goed dat hij niet anders kon en het hoogst mogelijke aantal gaf. Van Blew hield twee exemplaren voor zich, en de platenwinkels kregen er elk zes. Met de belofte dat hij er meer had  besteld in Londen. Uiteindelijk vonden slechts enkele exemplaren de weg naar een draaitafel. Het was zo een flop dat Willem uit schaamte de platen terugkocht. Zelfs aan de straatstenen raakte hij Nirvana niet kwijt. Hij gaf ze dan maar weg tijdens de wekelijkse radioquiz, en belde naar Londen om te vragen of hij de bestelling ongedaan kon maken. Dat kon hij niet.

Tijdens zijn allerlaatste uitzending in 1990 op kerstavond blikte de Hurricane terug op vele mooie jaren. Hij kon het niet laten om ‘Been a son’ nog één keer te draaien.

“Luisteraars zet jullie even schrap voor een streepje Nirvana. De eerste beller kan een  exemplaar van Blew komen halen in de studio.”

Niemand belde.

Maar laat ons vooral niet vergeten waar we aan het begin van dit hoofdstuk waren. En Willem heeft eerst nog heel veel te leren….

Hurricane Willem (3) english version

Willem was still just Willem, when his father died. Many still called him little Willem. A far cry from a hurricane in the making.  But a young lad who felt deeply ashamed of the thoughts swirling around in his head.

‘You little sneak, that’s just great. Now is really the time to bring this to me. Your deathbed is really the place to bring me this.’

Willem had noticed that Ephraim Cohen, his father and proud owner of Radio Shalom, found it increasingly difficult to find the strength to get out of his bed every morning. And the young Willem knew, as his father summoned him to come closer, that is was going to be a farewell. A last father-son moment, just like there had been a last mother-son moment some years earlier.

“Take care of your father,’ she had asked, and she closed her eyes for all eternity, before Willem could say yes. Willem held her hand and promised that he would.

And now, the same tranquil scene: a house on a rise somewhere lost in a landscape between two rivers, a sick bed in the living room, the scent of disinfectant, a frail being with thick purple grey veins draped over a hastily aged body, an untidy forearm tattoo, a number in the same vague color, the same never-have-talked-to-each other about what happened during the war.

The smothering weight of unspoken years. That’s how Willem was brought up: in deafening silence, lovingly deprived of the holocaust.

“You have to continue my work, it is important that you continue my work.”

Willem became even more ashamed, when he spoke out loud his venomous thoughts. “You little sneak! All this years you play mute about the war. And now all of a sudden I have to continue your work. I don’t know anything about this atrocious war of yours, apart from what I learned in school.”

“That’s enough to suffice’

From under his pillow Ephraim pulled a keyring.

“Radio Sjalom is yours now.”

“And now all a sudden I have permission to enter the barn?”

“Yep, it is yours. Here, take the keys.”

From under the same pillow he also pulled a brown envelope.

“The enclosed matter will protect you.”

“How exactly? Whom from? Against what? For God’s sake, why do I need protection by an envelope? Is this a last joke, dad?”

“I’d rather you don’t know what is in it. But used it, show it, every time Radio Sjalom is in trouble. That will happen much more often than you would like. The war is long gone, but people still don’t like us.  We are a people in great danger.”

“Dad, you can’t do this to me. I don’t know anything about our people in danger.”

“Promise me!”

Teary eyed Willem looked at the frail being that had been through a lot. With a lump in his throat Willem promised that he would continue his father’s work.

“How do I go about it all? Will you stay here just a little longer to teach me? Or will the light go out soon, like mother?”

“You will learn fast. All answers are to be found in the barn. And you’re not alone. I’ve made sure of that.’

It went like with mother. The same stillness. The same day Ephraim’s light went out. Willem was ashamed no longer about his words and thoughts: “Sweet sneak. “Don’t do this to me. Bastard. Don’t do this to me. Sweet, sweet bastard.”

In his one hand the new owner of Radio Sjalom held a keyring, in his other a brown envelop.

There he sat, son of Sara and Ephraim, for hours. All alone. Alone with his grief. The hardest grief there is. Grieve that already has been grieved. Tears that already have been shed.

“Your daddy and I won’t be around for much longer.” Mother had said it often enough: “We are ghosts. Only the irrepressible strength of our youth helped us to survive the camp. But to little remained to continue living life at its fullest. Let us never speak of this again.”

next chapter 

Hurricane Willem (3)

Tijdens de laatste levensuren van zijn vader zijn was Willem nog gewoon Willem. Voor sommigen zelfs nog Wilmke.

Nog lang geen Hurricane in wording. Maar een jongeman die zich diep schaamde om de gedachten die er door zijn hoofd flitsten. ‘Jij kleine geniepigaard, fraai is dat, dat je daar nu mee komt aanzetten, dat je daar mee wacht tot op je sterfbed,’ dacht hij.

Het was Willem de voorbije maanden niet ontgaan dat Ephraim Cohen, zijn vader en de trotse eigenaar van Radio Sjalom, het steeds moeilijker had om kracht te vinden en ‘s ochtends op te staan. De jonge Willem wist al te goed, toen vader hem aan het bed sommeerde dichterbij te komen, dat het was om afscheid te nemen. Een allerlaatste vader-zoon moment, zoals er ook een allerlaatste moeder-zoon moment was geweest enkele jaren eerder. “Zorg goed voor je vader,’ had ze gevraagd, en haar ogen sloten zich voor de eeuwigheid, nog voor Willem ja kon zeggen.

Willem hield haar hand vast en beloofde dat hij dat zou doen. En nu, precies hetzelfde verstilde tafereel: een huis op een heuveltop ergens plomp verloren midden twee rivieren, een ziekbed in de living, de geur van ontsmettingsalcohol, een tenger wezen met dikke paars-grijze aderen gedrapeerd over een overhaast oud geworden lijf, een slordig getatoeëerd nummer op de onderarm in dezelfde onbestemde kleur, het nooit met elkaar hebben gepraat over wat er zich in de oorlog had afgespeeld.

Het verstikkende gewicht van onuitgesproken jaren. Zo was Willem groot geworden: oorverdovend stil, en liefdevol verstoken van de holocaust.

“Je moet mijn werk verder zetten, het is belangrijk dat je dit werk verder zet.”

Willem schaamde zich nog meer, toen hij het zich niet kon laten om die venijnige hersenspinsels in woorden om te zetten: “Jij kleine geniepigaard! Al die jaren rep je met geen woord over de oorlog. En nu moet ik plots je werk verder zetten. Ik weet niks van die verdomde oorlog van jou, behalve dat wat ik op school heb geleerd.’

“Dat is genoeg!”

Vanonder het kussen haalde vader een sleutelbos.

“Radio Sjalom is nu van jou.”

“En nu mag ik plots wel binnen in de schuur?”

“Ja, de studio  is van jou nu. Neem de sleutels.”

Vanonder hetzelfde kussen haalde Ephraim ook een bruine envelop: “De inhoud van deze  envelop zal je beschermen.”

“Hoe dan wel? Tegen wie? Tegen wat? In godsnaam, waarom moet ik beschermd worden door een envelop? Is dit je laatste grapje, paps?”

“Het is beter voor je dat je niet weet wat er in zit. Maar gebruik hem, toon hem elke keer als Radio Sjalom in de nesten zit. Dat zal vaker gebeuren dan je lief is. De oorlog is lang voorbij maar de mensen  hebben ons nog steeds niet graag! We zijn een volk in nood”

“Paps, je kan me dit echt niet aandoen. Ik weet niks over ons volk in nood! ”

“Beloof het!”

De tranige ogen van Willem gleden over het frêle mannetje dat al zoveel had meegemaakt. En met een krop in zijn keel beloofde hij Radio Sjalom verder te zetten.

“Hoe begin ik er in aan? Blijf je nog even hier om het me te leren. Of gaat straks al  het licht uit, zoals bij mama?”

“Je zal snel leren. Je vindt alle antwoorden in de schuur. Je staat er ook niet alleen voor. Daar heb ik voor gezorgd”

Het ging verder zoals het bij mama was gegaan. Dezelfde verstilde foto. Nog diezelfde dag ging het licht uit bij Ephraim. Willem schaamde zich niet langer over zijn woorden en gedachten:”‘Lieve geniepigaard. Doe me dit niet aan. Rotzak. Lieve, lieve rotzak, doe me dit niet aan!”

In zijn ene hand had de nieuwe eigenaar van Radio Sjalom een sleutelbos, in het andere de bruine envelop. Daar zat Willem, de zoon van Sara en Ephraim, urenlang alleen.

Alleen met het moeilijkste verdriet. Verdriet dat al is geleden. Tranen die al zijn geweend.

“Paps en ik houden het hier niet lang meer vol, jongen,” had moeder vaak genoeg gezegd:”We zijn geesten. Alleen de ontembare kracht van onze jeugd hielp ons het kamp te overleven, maar er bleef te weinig van over om verder mee te leven. En laat er ons verder niet meer over speken.”

Druk hier voor deel 4

Hurricane Willem (2) english version

You ignore the waving away gesture and stare around helplessly. The headmistress gives you a questionable look. “Still here,” she inqueres.

You ask her where you can find a bed. The answer seems very simple: “Upstairs, room fourteen.” You don’t want to sound like a complete idiot, so you don’t ask which way to go to find it.

Uncertain on your way to the nearest staircase you meet Maria and lots of other saint figures. One more threatening than the other. None of them very welcoming. All of them looking down on you.

Legs thin as matchsticks carry you up. Halfway the staircase you stand still, just to figure out that you have a long way to go still. Up, and is this life. You gather strengt and  carry yourself up up.

Room fourteen is to be found at the end of seemingly endless hallway. Each door is numbered with copper numbers. Each figure polished so that it shines almost like gold. Above each door a cross, with a sad looking Jesus who died for us on the cross.

Finally. A bed. And then a feverish sleep.

You don’t know when exactly, but you wake up in the dark. The room feels strange. Each of your awakening senses screams that you don’t belong there. You lack the strength and the desire to get out of the bed, so you waste slow running time, until you have become adapted to the dark.

Dark contours draw the shape of a wardrobe, a chair and a writing desk. That’s about it. Only later –who could have guessed?- you notice yet another cross and sad looking Jesus above the desk. The room is filled with a damp silence. There is a rectangular box on a small side table in the corner. Curious about what could be in it you get up. You are startled by the closeness of everything in the small room. From your bed to the side table is only three restrained steps. And then you bump your big toe against the table leg. Not that it hurts, the veins in your arms are still swollen from the pain medication, pumped through them until recently .

But ballyhoo resounds terrifyingly through the hallway. Cautiously you backpedal. You lay on the bed and wait. Just long enough to make sure that no one has heard you. Your heart is beating in your throat for the second attempt. Feeling your way around,  you notice that it isn’t a box, but a radio. A radio that charms a smile on your face. You’re not exactly sure why, but an ordinary radio seems to make you very happy. In your dozy head you start painting a picture of how the thing works. On, off, volume, cassette deck, fast forward, rewind,…

You hope that you have in right, you put the volume on zero and with a gentle touch you push the on button. You got it right. The radio stays muted. From behind the  tuning scale a soft orange glow falls on your hands. It fills the room. And then you do something that you will look back on from time to time, later life. How was it possible, you will ask yourself, that you forgot everything, except that.

You turn the button on the side of the radio. And you know exactly where the tuning needle is headed for. You even whisper it as you turn and turn: “Radio Hurricane. 104.7”

With the accuracy of a watchmaker and one ear close to the radio you adjust the volume. Only slightly, just so you can hear everything.

And there it is. A familiar voice.

“Children, close your ears for just a moment. Because this is our  ‘porn slow ballad’ for this  week. I give you Gemini with L’Amour Interdit.”

Right until his very last broadcast D.J. Hurricane would do that on a weekly basis: ask the children to close their ears for a moment . What followed was often French, sultry, sticky sweet and overdosed with moans and sighs.

The porn slow ballad: a genre in itself. And, according to Hurricane Willem, fiercely underestimated.

What follows in the room is not sticky sweet. Unnoticed  a ghostly presence steps into the room. And it uses half of the room to launch itself. Just to make sure that this will be a moment that will linger on for a long time to come.

Smack

Fortunately you’re prepped to withstand quite some pain. And you succeed barely an not very stylish to make a safe landing with the radio like a baby in your arms, after being catapulted over the side table.

“Here at Child’s Joy we ask if we can turn the radio on. Take note of that!”

Next he firmly grabs one of my ears.

“Do you understand?”

“Yeeess, auch….” It appears that there are limits after all to the powers of pain medication.

‘Yes, Who?”

“Yes, I Don’t Know Who You Are.”

“And how do you address someone you don’t know?”

“I don’t know.”

“I don’t know who, Sir!”

“You just earned yourself your first week of confinement to your room.’

The ghostly presence disappears. And faintly in a corner in of the room you hear the Hurricane announcing the next song: “Dear listeners this one is especially for all of you. Ian Dury & The Blockheads met  Reasons to be Cheerful part 3.”

press here for part 3

 

Hurricane Willem (2)

Je negeert het wegwuifgebaar en staart hulpeloos rond.  De directrice kijkt bedenkelijk. “Awel, wat sta jij hier nog te lanterfanten,”  vraagt ze.

Je vraagt waar je ergens een bed kan vinden.  Het antwoord lijkt heel erg simpel: “Boven, kamer veertien!” Je wil niet al te dom overkomen, dus je vraagt niet waar je de weg naar boven vindt.

Onzeker onderweg  naar dichtstbijzijnde trap ontmoet je veel Maria- en andere heiligenbeelden.  Het ene  al dreigender dan het andere. Op geen enkel ogenblik ogen ze verwelkomend. En stuk voor stuk kijken ze vanuit de hoogte op je neer.

Benen zo dun als luciferstokjes helpen je naar boven. Halverwege de trap hou je even halt en je bedenkt dat er nog een flink stuk  af te leggen valt. Naar boven en in dit leven. Je bundelt je krachten en draagt jezelf verder.

Kamer veertien ligt op het eind van een schier eindeloze gang.  Elke deur is genummerd met cijfers van opgeblonken koper. Ze lijken wel van goud. Boven elke deur hangt een kruis, met daaraan een triest ogende Jezus die voor ons aan het kruis gestorven is.

Eindelijk. Een bed. En dan een koortsige slaap.

Wanneer precies weet je niet, maar je wordt wakker in het donker. De kamer voelt vreemd aan. Elk van je ontwakende zintuigen schreeuwt uit dat je er niet thuishoort. Het ontbreekt je aan kracht en goesting om op te staan en je verdoet trage tijd tot je ogen zich aangepast hebben aan het donker.

Donkere contouren tekenen de lijnen van een kast, een stoel en een schrijftafel. Dat is het zowat. Pas later zie je -wie had dat kunnen raden?- dat er ook nog een triestig kruisbeeld boven de schrijftafel hangt. De kamer is gevuld met een klamme stilte. Op een bijzettafeltje in de hoek van je kamer staat een rechthoekige doos.  Nieuwsgierig naar de inhoud sta je op. Je schrikt ervan hoe dicht alles bij elkaar staat in het kamertje. Van het bed naar de bijzettafel is slechts drie ingehouden passen. En dan nog stoot je dikke teen tegen het tafeltje aan. Niet dat het pijn doet, de aders in je armen staan nog gezwollen van de pijnmedicatie die er eerder werd doorgepompt. Je kan best tegen een stootje.

Maar je maakt een kabaal dat angstaanjagende door de gang gonst. Behoedzaam keer je op je stappen terug.  Je gaat op het bed liggen, en wacht net lang genoeg tot je min of meer zeker bent dat niemand je gehoord heeft. Je hart bonst in je keel voor een  tweede poging. Op de tast merk je  dat de doos geen doos is, maar een radio die een glimlach op je snoet tovert. Waarom weet je niet precies, maar een ordinaire radio schijnt je ontzettend blij te maken. Geconcentreerd en opgelaten glijden je handen over de radio. En je tekent in je slaapdronken kop een beeld van hoe het ding werkt. Aan, uit, volume, cassettedeck, vooruit, terugspoelen….

Je hoopt dat je het allemaal goed hebt, zet het volume op nul en geeft een ingetogen duw op de aan-knop.

Het blijft stil in de kamer en het licht van de zenderschaal vult het kamertje en je handen met een prachtige zacht oranje gloed  . En dan doe je iets dat zelfs jaren later zo van tijd tot tijd nog eens door je hoofd zal flitsen. Hoe het mogelijk was, vraag je je dan af, dat je alles vergat, behalve dat.

Je draait aan de knop die aan de zijkant van de radio de staat. En je weet al te goed waar de frequentiewijzer naartoe gaat. Je vezelt het binnensmonds terwijl je draait en draait: ‘Radio Hurricane. 104.7”

Met de nauwkeurigheid van een chirurg en één oor heel dicht bij de radio stel je de volumeknop zo af dat je alles net kan horen.

Een vertrouwde stem.

“Kindekens, stop nu even jullie oren dicht, want hier komt de pornoslow van de week! Hier is  Gemini met L’Amour Interdit ’

Tot zijn allerlaatste uitzending zou D.J. Hurricane Willem het wekelijks doen: de kindekens vragen om de oren dicht te stoppen.  Wat volgde was veelal Frans, zwoel, zeemzoet en kwistig voorzien van het gehijg en gekreun.  De pornoslow: een genre apart. Volgens Hurricane Willem zwaar onderschat.

Wat dan volgt is minder poëtisch. Ongemerkt is er een schim naast je komen te staan. En die schim gebruikt haast de helft van de kamer om uit te halen en er zich van te vergewissen dat dit een moment wordt dat nog lang zal nazinderen.

Klets.

Gelukkig kan je tegen een stootje. En je slaagt er net in om samen met de radio in je armen een veilige landing te maken na een weinig stijlvolle duikvlucht over het bijzet tafeltje.

“Hier in Huize Kindervreugd vragen we of de radio aan mag. Knoop dat goed in je oren!”

Hij kiest zijn woorden blijkbaar nauwgezet, want vervolgens grijpt hij een van je oren stevig vast.

“Heb je dat begrepen?”

“Jaaa, aauw.” Je bent dan toch niet zo pijnvrij als je dacht.

“Ja, wie?”

“Ja, Ik weet niet wie je bent!”

“En wat zeg je tegen iemand die je niet kent?”

“Ik weet niet!”

“Ik weet niet, meneer! En nu in je bed! Je hebt net je eerste week kamerarrest verdiend! Nietsnut!”

De schim verdwijnt. En heel stilletjes in de verte hoor je de Hurricane al het volgende nummer aankondigen: “Beste luisteraars, heel speciaal voor jullie  Ian Dury & The Blockheads met  Reasons to be Cheerful part 3.”

druk op onderstaande link voor deel 3:

Hurricane Willem (3)

huproof-copy

Hurricane Willem (1) english version

Let’s keep it simple.  This story ends with the death of the legendary  disk jocky Hurricane Willem on christmas eve in the year of our lord 1990. A final chord that leaves little to the imagination of the reader.  Death is a simple and crystal clear concept. Logic dictates that it can also be used as a starting point.  A mighty opening chord.
The proof is in the pudding. So let us start with the death of my father, somewhere at the crack of dawn on a beautiful autumn day. And little before that the passing away of Mommy Drudge, my mother, my twin brother Arthur, and my sister, Silke.  Fifteen minutes of utter lunacy, resulting in one hundred thirteen knife stabs -order unknown- and a cracked open skull somewhere in the garage.

I was allowed to live. Although that wasn’t the plan, and pretty hard to do at first in a torso with nine stabbing wounds. One for each year of my life.

This could be the moment where you, as a reader, begin to feel to feel pity for yours truly. Don’t! The eradication of a family is an event that is only painful when looked at it from the outside. Smack  in the middle of it one hardly notices. You go to sleep in the fall of 1979, mother nature erases your autobiographical memory, and you wake up somewhat drowsy  in the spring of 1980. Some late birth.

Next to your bed sits a graying lady. She explains that she’s a social worker from juvenile court. And there is that  sinking feeling for a moment. Thinking that maybe you’ve done something wrong, but you are afraid to ask. So you play mute. And you have a good pretext  to do so, because talking is hard to do after months of artificial respiration. The incoming light hurts your eyes. You fall asleep, and you wake up again. The graying lady is still there. She smiles and takes your hand. “We will do our best for you!’

You fall asleep again, and you wake up for longer periods of time. And one teaches you who you were. Journalists stop by to take a picture. The doctor insists they do so without flashes. He is in the picture as well. He is a hero. Against all odds he has kept you alive. The doctor, the social worker and myself are getting applause from the staff on the day  I leave the hospital. The social worker and a nurse are taking turns pushing my wheelchair. In the long corridors on the way out people come to a halt and applaud. Some try to touch me and stroke my humming head.

“O, boy!

I get in a golden colored and purple fumes spitting Opel Kadett. People keep waving and applauding. The graying social worker lights a cigarette and drives away. She says that she has found a good orphanage, with a lovely staff that will take good care of me.

The headmistress explains to me the rules of living in an orphanage. And the social worker says goodbye with a hug. In my ear she whispers that I have to do my best to like it here. ‘You’re a sweetie, but already ten, and you come with expenses, so no-one will get you out of here. You’re here to stay.”

“Unless he doesn’t obey the rules then there is no place for him in here,’ the headmistress ads.

I ask if I can go to sleep, because I’m feeling tired, and I’m still having difficulty with gravity. With a waving away gesture she makes it clear to me that I’m allowed to crawl under the covers.

for part 2  press here: Hurricane Willem (2) english version