Harry, gewoon Harry (Deel 8) (willekeurige variant op een parabel)

gebroken

Harry sluit het raam, wrijft wat spuug in de handpalmen en duwt daar zijn haar mee plat. Hij knoopt zijn kamerjas strak, haalt diep adem en sloft naar beneden. ‘Allez, het is dan toch nog geen woensdag,’ oordeelt hij.

Let er eens op, de volgende keer dat je in een gebroken glas trapt: het besef komt altijd eerst. Terwijl het glas zich pisnijdig weg kerft  doorheen eelt, vlees en pezen. Tergend traag gebeurt dat, en doorgaans in vaststellende wijs. Zo ook bij Harry. ‘Ha, ja, daar heb je het glas dat ik kwijt was vannacht.’  

Nadien pas komt de pijn op bezoek.  In scheuten. Onzalig klauwend naar het hart.

“Auch. Aai. Ajaj.”

Let ook hier op: het ergste moet dan meestal nog komen. Altijd zit de scherf te diep om ze zomaar te grijpen. Dat zou al te handig zijn, en zo zit het leven nu eenmaal niet in elkaar. Altijd is het poken en koteren. Altijd weer laat de scherf zich net niet vastpakken. En eerder dan ze er uit te halen drijf je de scherf dieper en dieper in het vlees. Hinkend op één been en inmiddels misselijk van pijn vind Harry in de badkamer ten lange leste een pincet.

Ok dan, hier gaaaaaaaaauw we! Vedomme, verdomme, verdomme.’

Pling klinkt de scherf op het porselein van de wasbak. De vloer lijkt inmiddels een plaats delict. En beneden heeft de wijkagent er schoon genoeg van.

Bong. Bong. Bong. Bong. Bong. Bong.

“Doe open. Politie!”

“Ik kom aaaaaf!” Trekkebenend en kermend van pijn rept Harry zich naar beneden.

Elke pas van zijn gehavende voet laat een bloedvlek achter. En ook als hij contact met de vloer mijdt, trekt het bloed toch nog fijne Pollock-achtige  slierten .

Bong. Bong. Bong.

“Ik kom! Ik kom! Ik ben er.”

Met de kracht van een buffel, en omgekeerd evenredig met wat zijn bierbuikje doet vermoeden, trekt wijkagent Ward Harry weg uit het deurgat. Met één enkele bruuske beweging werpt hij hem op de grond. “Blijf liggen en beweeg niet! Ik kom terug als de kust veilig is.”

“Maar de kust is veilig,” claimt Harry. Agent Ward hoort hem niet en is al binnen. Wapen in de aanslag. Behoedzaam en zelfzeker pas na pas.

terug naar deel  7

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Harry, gewoon Harry (Deel 7) (willekeurige variant op een parabel)

whisky-2619215__480

In deze toestand is Harry gewoon een vogel voor de kat. Hij weet dat en verzet zich daar niet tegen. Toegeven is beter. En de stukken van zichzelf raapt hij later wel een keer bij elkaar. Wakker zijn en slapen gaan naadloos in elkaar over. Dag genadeloos in nacht. De uren doen er niet meer toe.

Dingdong.  Dingdong. Dingdong.

Harry schrikt wakker op de grond naast het bed. Een halfvolle whiskyfles naast hem als metgezel. Het glas is zoek. Harry herinnert zich zoiets. Uren eerder was hij het glas ergens kwijtgespeeld. Hij zocht, maar kwam niet te weten waar hij het precies had gelaten.  Hij besloot dan maar om zich rechtstreeks van de fles pletter te drinken drinken.

Harry  voelt zich geradbraakt en zelfs ademen doet zeer aan zijn kop. Zijn schedelpan slaat open en toe. Languit schijnboksen dat lukt wel nog. Links, links. links, rechts. “Kom op, laffe hond,” maant hij God tot actie aan. Zijn laatste linkse heeft meer weg van een wegwerpgebaar: “Pfff, je durft niet.”

Dingdong. Dingdong. Dingdong.

Harry meende daarnet al iets te horen. Maar nu sijpelt de deurbel langzaam binnen. Moeizaam en met een beetje hulp van de bedrand krabbelt hij recht.

Dingdong. Dingdong. Dingdong.

‘Niet te geloven dat het al woensdag is,’ denkt Harry bij zichzelf: ‘gisteren was het nog maandag.’ Hij bedenkt een smoes om Agnieszka, de poetsvrouw, wandelen te sturen, terwijl hij naar een raam waggelt.

De zon zeurt nijdig aan zijn kop. Hij wendt zijn blik af om zonlicht te mijden en om zijn gedeukte kop te verstoppen.

“Agnieszka, ik ben een beetje ziek. Je hoeft vandaag niet te poetsen. Volgende week ook niet. Maar ik maak het geld zeker over op….”

“Harry, ‘t is Ward.”

Harry buigt zich over de vensterbank. En inderdaad het is Ward, wijkagent sinds jaar en dag  en immer goedlachs, zelve die daar beneden staat te blinken. Hij ziet de gezwollen aanblik, en jaren van paraatheid en training werpen meteen hun vruchten af.

Zelfzeker legt Ward een hand op zijn holster, en behoedzaam zet hij een stap achteruit om de situatie in te schatten en zicht te krijgen op de ernst van deze onverkwikkelijke zaak. Ongetwijfeld een gijzeling.

“Harry, knipper met je ogen als je in gevaar bent! We zijn er voor jou.”

“Ik krijg mijn ogen niet toe en jij bent hier helemaal alleen, want ik zie je fiets tegen de haag staan,” werpt Harry terug naar Ward, die zich inmiddels met zijn schietijzer in de aanslag achter een buxushaag verschanst heeft.

“Maar geen nood. Er is geen gevaar. Berg dat ding alsjeblief op. Straks vallen er nog gewonden. Ik kom naar beneden.”

klik hier voor deel 8

terug naar deel 6

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Harry, gewoon Harry (Deel 6) (willekeurige variant op een parabel)

oprijlaan

Het eerste daglicht wurmt zich gretig door spleten en kieren. Harry slaat zijn armen rondom zijn hoofd. Maar alleen op een bed voor twee er is geen ontsnappen aan de dag.

Harry krijgt zijn ogen niet volledig open en ook niet volledig dicht. Onscherp start hij de rituelen van de ochtend: koffie en een boterham. Muziek in de goede volgorde schudden lukt ook al niet niet vandaag.

Happy Hour: te vrolijk.

Nine While Nine: te vrolijk.

A Hundred Years: te lichtvoetig voor de dag.

Harry weet dat het weer zo’n dag wordt en legt de i-pod opzij. Ongewassen. In kamerjas. Rolluiken dicht. En hopen dat de volgende minuut sneller gaat dan de vorige. En hij weet al te goed dat Samia het zou haten dat hij zo doet. Aan haar sterfbed had hij nog stellig beloofd om sterk te zijn en er hier nog iets van te maken. Samia drukte hem op het hart dat hij zelfs iemand anders mocht vinden: “Aan die uitgemergelde borsten van mij heb je de laatste tijd niet veel gehad, schat!” Tot haar laatste ogenblik was Samia ontzettend sterkt.

Geen haar op zijn hoofd sindsdien al eens aan een ander dacht. Ook al is het monster van de eenzaamheid is vaak sterker dan hij ooit had verwacht. Het liefst zou hij sterk zijn en de man zijn die hij vroeger was, maar daar komt hij vandaag niet toe. Alleen loslaten past nog bij het lege huis en de lange dag.

Hij gooit het met zichzelf op een akkoordje, terwijl hij loslaat: morgen herpakt hij zich. Harry pinkt een traan weg. Hij weet dat het een leugen is. Vorige keer liep hij zo drie weken rond. Ongewassen. Ongeschoren. Handen diep in de zakken van de kamerjas. Een dutje van tijd tot tijd om tijd te doden.

Harry dwaalt wat rond in het huis en komt  zichzelf ergens tegen in een spiegel.

“Jawadde, amaai, oh boy,” de kop lauwe koffie, die hem gezelschap hield op zijn dwaaltocht door het huis, spat in stukken uit elkaar op de grond: “Harry, toch. Waar ben je mee bezig?”

Een donkere paarse band strekt zich van links over de neus naar rechts. Beide wenkbrauwen staan gezwollen en de ogen rood doorlopen.

‘Nu weet ik tenminste waarom de koffie naar bloed smaakt!’

Harry laat de schabouwelijke aanblik en de scherven voor wat ze zijn en sloft verder door het huis. Hij mijdt de kamers met spiegels. In andere kamers gooit hij herinneringen stuk.

“Sadist,” roept hij naar een God ergens hierboven: “Crapuleus stuk onbenul. Bliksem me dood als je durft. Toe dan! zodat ik je een lesje kan leren!”

Zoals wel vaker luistert God niet.

Of toch? Ergens onderweg in een kast vindt Harry zomaar een fles whisky. Glenfarclas 1962. En nog een andere ook.

klik hier voor deel 7

terug naar deel 5

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Harry, gewoon Harry (Deel 5) (willekeurige variant op een parabel)

 

max

Wat en hoe Harry ook probeert, hij krijgt zijn ogen niet scherpgesteld op het oranje licht van de wekkerradio. Dag kan het nog niet zijn, want het is nog donker buiten. Slaapdronken onderneemt hij een nieuwe poging om te zien hoe laat het is. De cijfers blijven vaag en werpen een oranje schijnsel over het nachtkastje. ‘God, ja,’ denkt Harry: ‘ik doe er nog wat heerlijk vergeetachtige slaap bovenop!’

Hij hoopt verder te dromen van de krakers in zijn huis aan zee, en hoe hij hartelijk de sleutels overhandigt. “Hier, alsjeblief, blijf gerust zolang jullie nodig achten. Ik haal straks nog wat te eten voor in de koelkast, zodat er iets te eten is.”

Badplaatsbewoners klampen hem langs alle kanten aan in de supermarkt en vragen of hij nu helemaal gek geworden is. “Vreemdelingen onderdak geven, hoe is dat nu in godsnaam mogelijk?” Iemand gooit een ei naar zijn hoofd. En nog een. “Idioot. Ellending! Apen-lover! Terroristen-vriend! We maken je kapot!”

En dat ze de burgemeester gaan verwittigen, ook dat moet doorgaan als dreigement. Harry haalt gewoon de schouders op. Zelfs een derde ei raakt zijn koude kleren niet. Hij vraagt zich wel af waar hij en Samia precies met hun gedachten zaten toen ze hier destijds een wansmakelijk dure lap grond kochten op een steenworp van het Zwin.

Een vervolg dromen lukt Harry niet. Hij stapt gewoon in een andere droom. Een heerlijke droom. Een ongewoon mooie droom. De droom is van zwart en wit, en toch zijn er kleuren. Het beeld voelt akelig vertrouwd aan.

De dijk staat vol met voertuigen die net niet synchroon blauwig licht op het strand werpen. Boven de dreigende zee draait een helikopter rondje na rondje. Max, de hond, wacht op het strand. Opgelaten. Tong uit de mond. Schuldige ogen. De zon komt op. En de bundel licht die vanuit de helikopter naar een teken van leven speurt neemt af in kracht.  Op de dijk gaan de kopjes naar beneden en hier en daar wordt er al van neen geschud.

Harry, voelt hoe het koude water hem verlamt. Op de dijk ziet hij Samia en Tim. Harry laat los. Dat mag nu.

“Ik hou van jullie,” roept hij nog, maar de draaiende rotorbladen van de helikopter versmachten zijn woorden. Alleen Max lijkt ze te horen. Onrustig kermend loopt hij over en weer op het strand. Harry zakt opgelucht naar de bodem. Tim leeft nog. Zo hoort het. Zo is het goed.

klik hier voor deel 6

terug naar deel 4

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Harry, gewoon Harry (Deel 4) (willekeurige variant op een parabel)

 

hospitaal

Op zondag duwt Harry zijn karretje met lees- en luisterboeken door de ziekenhuisgangen. Er is veel vraag naar luisterboeken. Harry maakt er notitie van, op een blauwe post-it die hij op het dashboard van zijn wagen hangt. Nieuwe luisterboeken. Veel. Enkele mp3-spelers. 

Daaronder hangt een gele post-it.

Huis aan zee. 

Hij moet daar dringend nog eens heen. Om te zien of het er nog een beetje ordentelijk bijligt voor de verkoop. En om na te gaan welke herinneringen hij er nog heeft weg te halen. ‘Misschien zitten er krakers in,’ denkt hij bij zich zelf. Hij geniet stiekem van die gedachte, en kan een monkellach amper onderdrukken  ‘Dat zou wat zijn, krakers! In Knokke. Zalig. Briljant.’ 

Nadien trekt zijn aangezicht weer somber. Hij wil er niet naartoe. Liefst van al wil hij vergeten dat het huis er staat. Wat hem betreft mag het opgeslokt worden door de zee. Harry, stuurt zijn wagen naar de kant van de weg, en bonkt zijn voorhoofd een keer of drie tegen het stuur. Hij barst in tranen uit, en bonkt, nu met het volledige aangezicht, nog een keer of drie tegen het stuur. Uit elk neusgat loopt een lijntje bloed.

Zo gaat het steeds. Soms lijkt het er héél even op alsof het beter gaat met Harry, alsof het gaat lukken, alsof hij eindelijk weer zijn draai schijnt te vinden, maar dan stuurt één onbewaakte gedachte hem terug naar af…

‘Onze Tim werd ook opgeslokt door de zee.’

Het is nog steeds een ondraaglijke gedachte. Het kost Harry nog enkele bonken op het het stuur en veel aanmoedigend gevezel, alvorens hij zichzelf bij elkaar kan rapen. Rijden lukt niet meer. Zijn ogen staan bloeddoorlopen, blauw en gezwollen. ‘Herpak je toch gewoon, Harry. Verman je.’

Harry plukt de post-its van het dashboard en belt een taxi.

De opgeschrikte taxi-chauffeur vraagt of hij Harry toch niet beter naar een ziekenhuis of een dokter brengt. Dat moet niet van Harry, en hij wuift het aanbod weg: “Neen, hoor, ik kan wel tegen een stootje.”

Thuis schrijft Harry snel nog wat zaken op de kalender. Hij verfrommelt de post-its en gaat slapen. Hij droomt heerlijk van krakers in zijn huis.

klik hier voor deel 5

terug naar deel 3

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Harry, gewoon Harry (Deel 3) (willekeurige variant op een parabel)

 

te koop

Het is zaterdag, dus Harry slaapt wat langer en hij wordt wat trager wakker. De rest van het ochtendritueel ziet er zo min of meer hetzelfde uit. Behalve dan het gepocheerde eitje met garnalen, dat is typisch voor een zaterdag. Alsook een vers gestreken kamerjas. Voor de rest komt alles een gewoon uurtje later.

Het nieuws op de radio is alvast even baldadig. Presidenten liggen op ramkoers, het land weigert nog zorg te dragen,  de zwaksten dienen gestraft. Weg uit die comfortabele hangmat! Harry schudt het hoofd en vraagt zich af in wat voor een wereld hij leeft en of het zou helpen als hij zijn wang knijpt.

Hij knijpt in zijn wang. Het helpt niet.

Harry zet de radio uit en schudt met één druk de liedjes op zijn i-pod door elkaar.

“Briljant,” Hij danst een wankel walsje rond de tafel en pinkt een traan weg. Hij doet dat de laatste tijd wel vaker: een potje bleiten op muziek. Onlangs nog barstte hij in tranen uit op de tonen van Kizmiaz. Gewoon omdat hij en zijn vrouw er zo ontzettend van hielden, er zo moesten om lachen en er zo vaak op dansten.

Het scheelde maar een haar of het werd hun trouwliedje. Gewoon om de goegemeente te schofferen. Helaas nam gezond verstand de bovenhand. Daar had hij soms spijt van.  ‘Dat zou nogal wat geweest zijn, Kizmiaz in de kerk. En ‘s avonds op de dansvloer nog een keer, als openingsdans!’  Tranen maken plaats voor een glimlach en Harry walst naar de trap en dan richting douche.

Wow, beste shuffle in dagen,’ denkt Harry, wanneer hij heupwiegend de douchekraam opendraait. Zesendertig dagen en negen uren aan muziek laten zich niet makkelijk schudden tot een volgorde die past bij de dag. Maar vandaag zijn de liedjes gewillig.

Harry, geeft zichzelf een klap op het voorhoofd, wanneer hij de bel hoort. Hij haast zich in zijn kleren en rept zich mopperend naar beneden: “Harry, toch.”

“Amaai, dat is hier ook niet gewoon, meneer,” zegt een goedlachse dame.

“Zeg, maar gewoon Harry,” zegt Harry.

“Oprijlaan op wandelafstand,” stelt ze glimlachend vast.

Hij verontschuldigt zich: “Ik was vergeten dat je kwam. Zou het lukken op een uurtje, want ik ben cliniclown vandaag. Ik doe dat haast elke zaterdag.”

Het lukt op een uurtje. Harry voelt dat de dame  enthousiast is over het huis. Ze zegt dat ook en maakt geen probleem van de vraagprijs. Ze vraagt of ze enkele dagen bedenktijd kan krijgen.

Dat kan. Harry is niet gehaast.

Hij vertrouwt haar toe dat de vraagprijs voor het spiegelhuis in Knokke, vier keer hoger ligt. Nochtans, tot in de kleinste details, krek hetzelfde huis. De dame vraagt zich luidop af wie in godsnaam zoiets verzint: “een spiegelhuis?”

“Onze zoon had Asperger,” vertelt Harry haar met een krop in de keel: ”het leek ons wel een goed idee om gewoon hetzelfde huis neer te planten in Knokke.”

Harry en de dame spreken later die week nog eens af.

De dame stuurt haar wagen over de bochtige oprijlaan. Harry volgt in haar kielzog, richting ziekenhuis, cliniclown spelen. Hij doet dat liever dan het bibliotheekkarretje door schier eindeloze gangen  duwen, maar ook dat moet gebeuren. Boeken brengen is voor morgen.

klik hier voor deel 4

terug naar deel 2

 

 

 

 

 

 

Harry, gewoon Harry (Deel 2) (willekeurige variant op een parabel)

koterhaak

Harry, staat op en zet koffie. Hij hoeft niet naar de kalender te kijken om te weten dat de dag niet veel brengt. Nietjes en  lamineerhoezen, dat is het zowat. Tijd zat voor een babbel met Max, de hond, die al jaren in de tuin begraven ligt.

Ja, Max, wie had ooit gedacht dat ik tegen een dood beest zou staan praten doorheen het keukenvenster? Hoe zielig is dat?”

De radio brengt, net als gisteren, slecht nieuws en sombere tijdingen. Harry zet de radio uit en de muziekspeler aan op shuffle. Op de tonen van Steamhammer Sam, een lang vergeten parel van Intaferon, stapt Harry onder de douche.

Muziek die past wel bij het nieuws van de dag, staat vast.’ denkt hij.

Geld als enige maat der dingen. De mens ontdaan van mededogen en menselijkheid.’

De rest van de dag overkomt Harry. Hij stelt vast dat hij eerst nietjes en lamineerhoezen haalt. Nadien belandt hij op het bankje ergens in een uithoek van het park. Hij zit daar een tijdlang. Een meeneemkoffie houdt hem gezelschap. De wind staat guur en strak. Weer dat bij hem past.

Harry, stopt in brasserie De Kotelet, voor een dagschotel. Voor service en kwaliteit moet een mens niet in de Kotelet zijn. Wel voor veel en goedkoop. Quinoa is er een scheldwoord. En Marjet, de gastvrouw, wijst je graag schouderophalend en hoofdschuddend de deur als het over gluten en lactose gaat. Zo heeft ze meer tijd om zware servetten te plooien in vorm van een sierlijke zwaan. De aanblik alleen van een berg spinazie-stoemp met worst en donker bruine saus doet Harry spontaan naar het hart grijpen. Veelal is Harry er de enige klant.

Na De Kotelet trekt Harry naar cafe De Koterhaak even verderop, In café de Koterhaak krijgt hij zijn pintje en een kwartier nog een, zonder daar om te vragen. Nadine vraagt zich vaak af  hoe met hem is nu, na al die miserie op zijn weg. Maar ze weet ook dat het zo hoort te lopen: een pintje, en nog een pintje, geen goeiedag, geen vragen, geen woorden. Op de toog legt Harry een biljet, en Nadine weet dat ze het wisselgeld mag houden.

‘Ik ben thuis,’ roept Harry in de gang, wanneer hij ‘s avonds thuiskomt. Hij doet dat om eventuele inbrekers te waarschuwen, want er wordt nogal wat ingebroken de laatste tijd daar in de buurt. Er wordt van een heuse plaag gesproken. Maar diep vanbinnen ook omdat hij hoopt dat Samia en Tim gewoon thuis zijn, de laatste jaren een droom waaruit hij enkel  moet ontwaken.

Harry, zet de zak met nietjes en lamineerhoezen op de keukentafel, naast de zak met nietjespistool en lamineermachine.

Met een scherp mes opent hij voorzichtig de verpakking. Hij slaat zich voor het hoofd. Het nietjespistool kwam met een rij gratis nietjes. Hij slaat zich terug voor het hoofd. De lamineermachine kwam met 3 gratis hoezen. ‘Hoe dom!’

Uit de ehbo-kast haalt Harry een flesje ontsmettingmiddel, en enkele pleisters. ‘Eens proberen, zie,‘ denkt hij. Hij ontbloot de borstkas en schiet er lukraak drie nietjes in.

“God nog aan toe, dat doet pijn!” Vervolgens schiet hij er één in de handpalm en ook één net boven de knie, om het af te leren.

“Godsamme.” Hij besluit dat het nogal meeviel in borstkas en hand. Vol in die knie, dat kan hij zich beter laten. Hij ontsmet de kleine gaatjes en doet er pleisters op. Nadien poetst hij zijn tanden en gaat slapen. ‘Morgen CC.’

Vandaar misschien die zweem van een glimlach sinds lang.

klik hier voor deel 3

Terug naar deel 1