Bye bye zwaai zwaai (kortverhaal: deel 6 van 6)

Bee, Sting, Honingbij, Vleugels, Honing

Het is een wijdverspreid misverstand dat herfst het seizoen is voor het binnenhalen van de oogst en dat het land tot dan gewoon wat kleurrijk staat te wezen. Al vroeger op het jaar is het land vrijgevig, voor wie het koesterde en met zorg heeft bewerkt. Ook al ligt dat land ergens 17 hoog op een klein terras.

Het zette Wilfred aan het denken. Hij dacht aan de kalender van de natuurvereniging, die een betrouwbare gids voor de nieuwbakken stadsboer bleek te zijn.

‘Misschien,’ zo stelde hij voor: ‘misschien kunnen we de Koningin Van Onderland en haar gemaal eens vragen om iets te komen eten. Hij bedoelde de ouders van Myriam. Ze waren die zo gaan noemen in de loop der jaren.

”t Is dankzij hun kalender dat ik er weer bovenop kwam.’

Myriam zag dat niet echt zitten, één keer per jaar was, wat  haar betrof, meer dan genoeg: ‘Ze hebben je nooit aanvaard, en staken ons voortdurend stokken in de wielen.’

Wilfried knikte instemmend: ‘Ja, maar we hadden ze  heus niet nodig om van ons twee een puinhoop te maken. Dat kregen we helemaal zelf voor mekaar, zonder hun hulp.’

‘Ik zie het al,’ zei Myriam dan: ‘je wil voet bij stuk houden. Wel, ik hou je niet tegen. Maar kom achteraf niet klagen.’

Enkele weken later stonden ze daar. Ze hadden plaats moeten zoeken in hun drukke agenda. Met de daver op het lijf stonden ze daar, want het was altijd met de daver dat ze daar stonden: zo’n buurt.

‘Hoe houden jullie het hier vol in dat koterhol?’ zei de Koningin, de neusvleugels optrekkend met een overschot aan minachting. Haar gemaal deed in haar zog, en hoofdschuddend, precies hetzelfde.

‘Goed begonnen is half gewonnen,’ troostte Wilfred zichzelf, vastbesloten om zich niet uit zijn lood te laten slaan.

‘We hebben alles zelf gekweekt op het terras, met de hulp van jullie zaaikalender,’ zei Wilfred trots, wanneer hij de schaal met een kleurrijke variatie tomaten aan de tafel bracht. De Koningin Van Onderland trok alweer de neus op.

Het werd een lange avond, hoe vriendelijk Wilfred ook probeerde te zijn. De radijzen smaakten naar aarde, de wortels waren schots en scheef, de tomaten hadden vreemde bruine vlekjes, de wijn had iets krachtiger gemogen, een andere druif ware beter geweest… Het hield niet op. Myriam zag hoe Wilfred, steeds meer voorovergebogen, pogingen bleef ondernemen om vriendelijk te blijven. Maar het bracht geen zoden aan de dijk.

‘Man, die basilicum is veel te straf!’ De Koningin Van Onderland spuwde het halfgekauwde goedje in een servet.

‘Oh,’ lachte Wilfred: ‘je hebt het smaakpallet ontwikkeld van het moderne supermarktvolk. Mensen weten gewoon niet meer hoe verse basilicum echt smaakt. Voor ons was het ook even wennen.’

‘Ik heb wat?’ snauwde de koningin nijdig.

Myriam zag dat het tijd was om in te grijpen.

‘We gaan onze eigen honing maken ook.’

‘Jullie gaan wat?’

‘Honing maken. Boven op het dak.’

‘En brengt dat wat op die honing, want het stuk bouwgrond in Wevergem gaat daar niet blijven liggen wachten op jullie!’

Daar zijn ze weer met dat verdomde stuk bouwgrond!

‘Nog niks,’ wuifde Myriam de vraag weg: ‘We hebben drie kasten, maar het is ons nog niet gelukt om een zwerm te lokken. Maar op een dag is het zover. Misschien is het vandaag al zover. Kom even mee kijken, kom.’

De Koningin Van Onderland en haar gemaal vertikten het om mee naar de kasten te gaan kijken, want het was zo hoog en de lift was weer kapot. En aldus trokken Myriam en Wilfred alleen naar het dak, het mokkende koppel achterlatend. ‘Tot straks!’

Ondanks het gebruik van het beste lokmiddel, was er ook vandaag geen zwerm op het dak neergestreken. ‘Oh, morgen beter,’ zei Wilfred.

‘Inderdaad, maar wat doen we met die twee beneden? Buiten bonjouren of nog even proberen?’

‘Nog even proberen, zeker,’ twijfelde Wilfred. En terwijl hij twijfelde werd hij opgeschrikt door een hevig gekraak, dat nog het meeste leek op de eerste droge en knerpende bliksemschicht vlak voor een onweer, op het einde van een loden dag. En tegelijk weerklonk de echo van een doodskreet.

Wilfred wist het zeker: ”t Is zover, het terras van den dikken heeft het begeven! Kom, naar beneden!’ Myriam en Wilfred haastten zich naar beneden. En bonkten en schopten als bezeten op de deur van den dikken. Het appartement was tot op de naad versleten, maar de deur zelf gaf zich niet gemakkelijk gewonnen.

Gelukkig kwam den dikken de deur zelf opendoen. ‘Kalm! Kalm!’

‘Dikken, ge leeft nog!’

Wilfred en Myriam duwden hem weg, liepen doorheen de living en hingen sprakeloos en krom gebogen over de balustrade van het terras. Beneden lagen één s-vormige en één y-vormige figuur, omgeven door gebroken kratten, aarde en groensel. In de verte weerklonk het aanzwellende geluid van sirenes.

In en ver buiten de stad wordt vanaf hier deze historie steeds anders verteld.

Dat Wilfred en Myriam van de woningmaatschappij nadien veel geld, wel miljoenen,  hebben gekregen. Dat alle terassen daaronder tergend traag en één voor mee in de diepte gingen, als pesterige dominostenen welhaast. Dat Wilfred schouderophalend op het terras van den dikken had gezegd: ‘Wel, wel, wel, we zullen het nu in Wevergem moeten proberen. Dat Myriam Wilfred sindsdien al zeven keer heeft laten zitten. En dat de buurvrouw, tenslotte, Marieke van 17 32 C, 93 was ze, beweerde -stellig en zwerend op het graf van haar man zaliger- alles te hebben gehoord.

Een ouder wordende man was op het terras gaan staan, zo zei ze, om  te kalmeren. In de ene hand een glas wiskey, in de andere hand een dikke sigaar. Daar was ook een wat oudere dame bij komen staan, en voetenstampend was ze beginnen wenen: “Ik kan er niet meer tegen. Ik kan er niet meer tegen. De manier waarop ze leven.’

‘Ik weet het, liefste, ik weet,’ had de man gezegd: ‘Ze kunnen fluiten naar de bouwgrond.’ Maar de dame bleef nukkig met de voeten stampen tot het terras het krakend begaf. Al kon de agent, die haar ondervroeg achteraf, dat maar moeilijk geloven. Want bij elke vraag die hij stelde bracht Marieke een hand naar haar slechte oor en antwoorde zei ze, nuja, riep ze: ‘Wat?’. En dan zei ze stellig: ‘Je moet me excuseren, ik hoor precies niet meer zo goed sinds die huiveringwekkende krak!’

Zoveel staartjes voor het trieste verlies van twee levens, maar zelf hou ik nog het meeste van deze: het potje ‘Wifriam’, waarvan ik, bij het schrijven van dit verhaal, soms een lepeltje door mijn thee draai, is -eerlijk, echt waar- de beste ambachtelijke honing die ik ooit heb gegeten.

Advertisements

Bye bye zwaai zwaai (kortverhaal: deel 5 van 6)

 

Clouds, Sun, Sky, Blue, Nature, Summer

5) Winter is niets meer dan een prelude op de zomer. Soms al te langdradig voor  een korte zomer. Soms slechts enkele neerslachtige akkoorden voor een lang uitgesponnen zomer. Je weet het nooit echt vooraf. Al zijn er van die momenten waarop je het denkt te kunnen voelen. Wilfred en Myriam dachten dat ze het konden voelen dat het  wel eens een heerlijk lange zomer kon gaan worden.

Ze hadden elkaar en een soortement tuin van wijnkistjes op het terras. Meer hadden  ze niet nodig. Meer hebben twee geliefden niet nodig. Al in mei hadden ze raapjes kunnen oogsten. Het weer zat mee, zodat ze durfden dromen van een tweede oogst. Niemand die daarin had geloofd, niemand die daaraan had gedacht, niemand die dat had durven hopen.

Dat het er verdomd goed kon zijn. Wilfred dacht het wel vaker, de wijde wereld overschouwend vanop het terras. Soms keek hij dan goedkeurend naar beneden. Naar de kromgetrokken kasseien. Naar de putten in de straat. Waarvan vele er al zo lang lagen dat ze deel uitmaakten van de folklore.  In één, de grootste op het eind van de straat, zo werd beweerd, huisde de burgemeester met het hart van steen. En, o wee, als dat monster je te pakken kreeg, één enkele aanraking was genoeg, dan veranderde je terstond in een brok kalsijde waarmee hij bij nacht en ontij de straat herstelde.

Nu niet dat de burgemeester met het hart van steen een succesvol monster was. Jaar na jaar lag de straat er weer een beetje slechter bij. Maar het verhaal hield de kindekens wel zoet. En het was grappig, want in deze buurt, zou geen echte burgemeester zich ooit vertonen. Goed verteld -op een toontje van ja het zal wel maar let toch maar op- en met de door vitaminentekort wat bleek aandoende kroost dichtbij op de schoot, was de legende bovenal een levensles. Denk eraan, niemand weet jullie wonen. Ge staat er heel alleen voor als je van hier bent en in het leven ergens wil komen!

En toch kon het er goed zijn. Soms zelfs te goed. Pal op het zuiden gericht -zuig daar maar een puntje aan, Piramide van Cheops- was het in de zomer bakken en braden en puffen en  zweten op de terassen. Zo koud het er kon zijn in de winter, zo lamlendig makend warm werd het er in de zomer. Slechts hier en daar was er nog een gestreepte luifel -kleur nogal onbestemd- over uit lang vervlogen en meer hoopvolle tijden.

Het duurde nooit lang of de hele terraskant van de blok veranderde in een pointillistisch spektakel van kleurrijke tegen elkaar aanschurende parasollen. Meestal van biermerken, maar er waren er ook van Ola ijs, Cécémel, Nivea en Ambre Solaire. Of met de naam van het café waar ze ooit eventjes werden geleend.

Onder het schimmenspel van schaduw en zon, klaar en donker, floreerde het tuintje zeventien hoog. Tomaten in alle soorten en maten, radijzen haast als rapen zo groot, courgetten waarmee je een boer van zijn paard kon slaan. Wilfred haalde zoveel energie uit zijn gezonde dieet dat hij zin kreeg in meer. De deprimerende man werd een kerel uit één stuk en met een plan.

Een plan waarmee Myriam hartelijk en schuddebuikend moest lachen. Maar niet meteen. Eerst was ze ontzettend bang geweest en had ze gevreesd voor haar leven. Ze stond neuriend verse worteltjes te schillen en zich af te vragen waar hij uithing. Het was niet van zijn gewoonte, niet meer, om zo lang weg te blijven. Werkelijk alles  dat ze op het aanrecht te pakken kreeg gooide ze in de richting van het monster dat daar met een dampende en glimmende bijenberoker in het deurgat stond. Heer, onze God, bad ze.

Wilfred had haar willen verrassen en droeg, om dat kracht bij te zetten, ook nog een imkerhoed met katoenen beschermsluier, een zak bijentabak onder de arm, ontbloot bovenlijf, en een korte broek met vervaagd paisleymotief  zoals je het alleen nog in tweedehandwinkels vindt.

‘Tadaaaaa, ik ga stadsimker worden, boven op het dak van den blok. Ik begin met drie kasten.’ Het zat in zijn hoofd dat hij dat zo zou gaan zeggen. En hij had zich  ingebeeld dat hij op het eind van tada de armen wijds zou opengooien. Maar hij kwam niet verder dan ta. Zowat de hele uitzet kreeg hij naar zijn kop geslingerd. En duikelend zocht hij dekking onder de tafel. Hij gooide zijn imkerhoed af en riep: ‘Myriam, ‘t is ik.  ‘t Is ik.’

Myriam had even te bekomen met een groot mes nog dreigend in de hand. Maar toen ze besefte dat dat haar leven niet in gevaar was, begon ze uitbundig te lachen terwijl de ruimte zich vulde met rook en geluk.

‘Die doet het precies ook niet meer,’ zei Wilfred, wijzend naar de rookmelder. En toen moesten ze nog nog harder lachen. Ze rolden over de grond van het lachen.

 

Bye bye zwaai zwaai (kortverhaal: deel 4 van 6)

Flowers, Sowing, Growth, Seedlings

4) Toen leek het er op dat zijn geluk van korte duur geweest was. Hij zei het achteraf wel vaker zo, en hij zou het achteraf nog vaker zo zeggen, terugblikkend op het mirakel van zijn wonderbaarlijke wederopstanding.

Eind maart was het al, en diep vanbinnen had hij het opgegeven. Zelfs een eenvoudig stadstuintje was blijkbaar te hoog gegrepen.

Tot hij op een avond het wonder zag. Een wonder in het helderste groen dat licht leek te geven in het donker. Twee miniscule blaadjes wriemelden zich los uit de grond. Niet één, niet twee, niet drie, maar zeven, acht, negen keer. Het leken heldere sterren op de  achtergrond van pikzwarte teelaarde.

‘Myriam, kom kijken naar de sla, kom kijken naar de sla, kom kijken naar de sla!’ Extatisch was hij.

‘Godverdomme, mislukte kust-mijn-kloten, ik lig in bed.’

Dat had Wilfred zelf ook gezien.

‘Ik weet het, maar je moet komen kijken naar de sla. Er is sla! Het is knipsla! Met een beetje geluk genoeg voor heel de zomer!’

Wilfred maakte een vreugdedansje op het bed. En Myriam, tot haar eigen stomme verbazing, schoot niet uit haar krammen. De kinderlijke vreugde waarmee hij op het bed stond te springen had iets ontwapenends. Iets onverwachts. Iets waar ze zich niet kwaad kon over maken. Ok al zag het er compleet belachelijk uit: een grote mens zo rondhuppelend op het bed.

Ze werd stil van het geluk dat zich van hem meester had gemaakt. Die guitige ogen van weleer. Die prachtige, heldere en fonkelende ogen die haar ooit hadden meegelokt naar nachten vol lust en liefde. Het soort van kijkers waaraan geen vrouw kan weerstaan. Het was een eeuwigheid geleden geweest.

‘Moet je me nu echt wakker maken voor knipsla?’

‘Welja, het is een heus mirakel! Blaadjes zo klein, zo breekbaar. Kom kijken. Je gelooft je eigen ogen niet!

Die avond hielden ze van elkaar, zoals ze dat al jaren niet meer hadden gedaan. Het duurde uren voor ze genoeg hadden van elkaar.
Voor ze in slaap viel had ze nog net gezien hoe hij stilletjes was opgestaan en de bak met sla had binnengezet.

‘Je weet maar nooit dat het nog gaat vriezen vannacht. Lieve lieve lieve kleine slaatjes. Wees welkom in ons huis.’

In de dagen die volgden voltrok zich wonder na wonder. Sla, tomaat, paprika. Als je maar lang genoeg stil zat kon je de courgetteplantjes zien groeien. Ze kwamen als laatste uit de grond uit de grond gekropen, maar al na twee dagen waren ze groter dan de rest. Het waren de reuzen van de stadstuin.

En toen arriveerde de brief van de woningmaatschappij, waarin een gecertifeerd ingenieursburo ook dit jaar weer had vastgesteld dat  betonrot de terassen van het flatgebouw had aangevreten. Alsof ooit de kans had bestaan dat het probleem zich intussentijd vanzelf had opgelost.
‘Er is geen direct gevaar, maar in afwachting van de nodige herstellingswerken adviseren we dat u zich niet op het terras begeeft.’

Behalve voor Omar, die wel wat hoogstevrees had en helemaal boven op de hoogste verdieping woonde, gold de brief voor de andere bewoners traditioneel als de aankondiging van de zomer.
De BBQ mocht eindelijk vanonder het stof en de stoeltjes konden opengeklapt. Op geen enkel terras was er ruimte voor meer dan twee klapstoeltjes, een tafeltje, een BBQ en een vuilbak. Dat was het zowat. Maar wie had te overleven in de blokken van het sociaal verhuurkantoor, had echt niet meer nodig dan dat. De mannen konden weer aan de slag, in ontbloot bovenlijf en gewapend met een vleestang en aanmaakblokjes. Waarlijk de koning te rijk. Die terassen waren het volkse equivalent van een privéjacht.

Na een ellendig lange winter met veel onbetaalde rekeningen, deurwaarders en de verwarming op waakstand, konden de mannen eindelijk weer tonen dat ze wel iets waard waren. De brief van de woningmaatschappij veranderde daar bijzonder weinig aan. Integendeel.

Bij Myriam en Wilfred was er zelfs geen plaats meer klapstoeltjes. Het terras was een groene oase geworden. Van de nood een deugd makend schoven ze de schuifdeur wagewijd open en de stoeltjes zo dicht mogelijk bij de rand. Met een beetje goede wil leek het gewoon alsof ze ergens op de buiten zaten.

‘Denk je dat onze plantjes een probleem zijn?’ had Myriam gevraagd.
Wilfred had daar even over nagedacht.
‘Ach, weet ik veel van de zwaartekracht. Ik denk het niet. Al jaren trekt niemand zich iets aan van de brief. En is nog niemand doorgezakt. De maatschappij dekt zich gewoon in tegen schadeclaims. Ik kan me overigens niet inbeelden ons stadstuintje zwaarder is dan den dikken van hierboven met zijn bakken bier. Ik weet het niet. Maar als ik er doorzak, kan je misschien nog trekken van de verzekering .’

Nu ze elkaar terug graag zagen vond Myriam dat een legubere gedachte waar ze liever niet al te lang bij stil stond. Ze wuifde het weg: ‘Doe me daar niet aan denken. Ik durf daar echt niet aan denken.’

Klik hier voor deel 5

Bye bye zwaai zwaai (kortverhaal: deel 3 van 6)

Sunset, Sky, Sun, Cloud, Twilight

3) Zijn geluk kon de laatste tijd gewoon niet op. Hij zei het achteraf wel vaker zo, en hij zou het achteraf nog vaker zo zeggen, terugblikkend op het verbluffende mirakel van zijn wonderbaarlijke wederopstanding.

Een week eerder moet het zijn geweest dat zijn geluk beginnen keren was. Volgens een haastige wedersamenstelling in zijn kop -2 weken, klootzak!- moest de heks  toen al terug thuis zijn geweest .

De eerste stap, alvorens een stadstuin zich gewillig en genereus laat oogsten, zo vertelde de kalender van de natuurvereniging, was een heuse slakkenjachten. Slakken met en zonder huisjes zijn de grootste gesel van de moestuin en de aspirant stadsboer. Het is een wijze raad die de tuinier in onze contreien maar beter niet kan vergeten. Voor je het goed en wel beseft hebben slakken de ganse tuin leeg gevreten.

Pas nadien heb je deskundig af te rekenen met andere kwalen en ongedierte, zoals bladluizen. ‘De oogst is half geslaagd voor wie al de slakken heeft verjaagd‘: daarmee opende in vette letters de maand februari van de kalender, als had de natuurvereniging hulp ingeroepen van Bond Zonder Naam .

Na het lezen van deze wijze raad was Wilfred danig gemotiveerd en bijzonder verwachtingsvol opgestaan uit de zetel. Hij zich ook een jas aangetrokken, want op het terras kon het deze tijd van het jaar nog vervaarlijk guur zijn. Een droge noordooster deed er zomaar je lippen barsten. Het leek hem dus wel gepast om ook wat lippenbalsem op te doen. En handschoenen waren nooit een overbodige luxe.

En wat hij zag, helemaal opgedirkt als een soortement tuinman of wat daarvoor moest doorgaan, beviel hem danig. Behalve wat wanhopig wriemelende pissebedden, onder de loszittende tegels van het terras, was er in geen spreekwoordelijke velden of wegen ongedierte te bespeuren. Nog voor ze er goed en wel erg in hadden vonden de pissebedden een nieuw onderkomen in de zak van de kruimeldief. ZieeeewoefEn zonder verder iets te ondernemen waren zo de eerste stappen al gezet: de stadstuin was bij deze offieel slakken-en pissebedvrij. Het echte werk kon beginnen. Wilfred was een echte krak.

De volgende dagen verliepen minder voorspoedig, want het weer wou niet mee. Scheen de zon dan was het bitter koud. Scheen de zon niet dan geselde ijzige sneeuwregen dagenlang het terras. Het was nooit echt goed. Enkel de aardappelen leken, verborgen onder een natte handdoek, te doen wat ze hadden te doen: bleke scheuten maken. Voor de rest bestonden de dagen uit het wachten op de weergoden.

En eindelijk, zo ergens eind februari, waren ze hem goed gezind. Van binnen bekeken kon je het zo niet zien, maar de weerman liet er geen twijfel over bestaan: “Ik heb goed weer besteld voor het weekend! Morgen bereikt het kwik vijftien of zestien graden.”

Weermannen en vrouwen hebben veel gemeen met politici. Is er goed nieuws dan is dat allemaal dankzij hen. Is er slecht nieuws dan ligt dat ofwel aan de natuur, ofwel aan de tegenvallende economische conjuctuur. Andere woorden, dezelfde gespleten persoonlijkheid. Wilfred was er natuurlijk niet minder blij om. Morgen kon het zaaien beginnen. Eindelijk.

En gezaaid dat werd er. Radijs, tomaat, paprika, peper, sla, courgette. Alles waarvan zij die het konden weten beweerden dat ze prima gedijen in een stadstuintje ging de grond in. Liefdevol en onder begeleiding van bemoedigende woorden werden de zaadjes zachtjes in de aarde gedrukt. ‘Groei maar, lieverdjes, groei.’ Met krijt schreef hij op de wijnkistjes in zijn schoonste handschrift wat voor lekkers er onder de grond verscholen zat.

Jaren was het geleden dat hij nog zo verwachtingsvol naar de volgende dag had uitgekeken. Hij herinnerde zich nog een brief die hij had geschreven aan Myriam, zijn aanstaande vrouw, later serpent. Van toen was het geleden dat het hart als een razende tekeer ging in zijn keel. Zo lang was het geleden dat hij zwanger was  van hoop en nagelbijtend zenuwachtig van schier eindeloos wachten op een antwoord.

Het lopen op wolkjes. De vlinders in zijn buik. Het ijsberen. Wat een heerlijke tijd was dat toch geweest. En hoe gelukkig was hij wel niet geweest toen het antwoord eindelijk kwam.

‘Ja, hoor, ik wil het wel met je proberen.’ Met liefs en veel kusjes, zo had ze ondertekend.

klik hier voor deel 4

Bye bye zwaai zwaai (kortverhaal: deel 2 van 6)

Uiteenvallen, Echtscheiding, Scheiding

2) Bevrijding, inzicht en levenslust. Allemaal goed en wel. Maar als rechtstreeks gevolg van zijn onbeholpen en halfslachtig bestaan ontbrak het de herboren veertiger aan financiële draagkracht voor de obligate en peperdure fratsen van een  doorsnee midlifecrisis.

Zoals daar zijn. Een razendsnelle motor, type cougar magneet. Dat had hij zichzelf  graag cadeau gedaan, maar zulks behoorde helaas niet tot de ronkende mogelijkheden. Logischerwijze was ook het tragere model met dikke banden en een overdaad aan schitterend chroom, type milf magneet, veel te hoog gegrepen. Laat staan dat er ruimte was was voor een simpele koersfiets, type gay magneet.

Zelfs een simpel paar sportsloefen, type helemaal niks magneet, en  de brandende ambitie om als wraak op dit leven met de vingers in de neus zomaar even 100 jaar te worden, kreeg hij onmogelijk geregeld met  die rood aangelopen bankrekening van hem. Bepaald armoedig, dat was de staat van zijn leven. En troosteloos van aanblik.

Gelukkig was er die kalender die hij van zijn schoonouders voor zijn kerst en nieuwjaar cadeau had gekregen.  Een zaaikalender van de natuurvereniging. Heel speciaal voor dak- en stadstuinen nog wel. Het was gewoon de achterbakse manier van zijn schoonouders geweest om hem er nog eens goed met zijn neus in te wrijven. Al dat armoedige leven. Zeventien hoog met beneden de goorste buurt van de stad. Dat allemaal met hun lieftallige dochter ook nog. Hun meiske dat zo veel beter had verdiend dan een depressieve lapzwans.

Dat meiske, zijn vrouw zo nu en dan, Myriam, vond blijkbaar zelf ook wel dat ze beter had verdiend, want ze zocht en vond regelmatig en met overgave troost in de armen van een ander. Al kan niet gezegd worden ze goedkoop was. Ze vond gewoon vaak de ware. Met veel bravoure en zin voor melodrama liet ze Wilfred dan zitten. Niet voor een prins op een wit paard, maar voor een of andere minkukel met een dure wagen. Voor iemand die haar voor eens en voor altijd van de doffe ellende zou verlossen. Voor ze de deur achter zich dichttrok riep ze dan snel nog wat lieve woorden bij elkaar: ‘Kust mijn kloten, ellendige klootzak. Ik krab je ogen uit als ik je ooit nog eens zie.’

En om te tonen dat het hem geen moer kon schelen riep Wilfred haar na met wuivende gebaren: ‘Bye bye, zwaai zwaai, de groetjes en de snoetjes!’

Het terugkeren gebeurde meestal stiller, als een dief in de nacht, maar op dezelfde lieftallige toon: ‘Ben je nu content, klootzak?’

‘Eh, niet echt.’

Gelukkig waren dat allemaal dingen waar hij de laatste tijd niet zo vaak meer aan dacht. Hij stond nu eerder vaststellend in het leven. De ene dag stelde hij vast dat ze er was. De andere dag dan weer was ze er niet.  Een rustgevend evenwicht was onder de vorm van verregaande onverschilligheid neergedaald over ‘huisje weltevree’.

Ze was blijkbaar al even terug, sinds ze op oudejaarsnacht voor de zoveelste keer had besloten om hem -deze keer echt voorgoed- te verlaten, alvorens hij ergens in eind februari had vastgesteld  dat ze er was.

Hij vroeg het zich af: ‘Wel, wel, wel hoe lang is dat serpent al terug?’ Hij had er geen flauw idee van. Het vraagstuk kon hem, eerlijk gezegd, ook niet langer dan een seconde of twee boeien. Hij verkeerde in vaststellings-modus: ‘Wel, wel, wel, kijk eens daar zie: de heks is teruggekeerd op haar bezem.’

Hij had geknipoogd naar haar, al wist hij niet precies waarom. Misschien dat daar zijn kop al begon op te klaren. En daar was ze zo van geschrokken dat ze ze haar glas gin-tonic had laten vallen op het vast tapijt dat volgens het huurcontract onvervreemdbaar bij het appartement hoorde. Het glas rolde tergend traag tot onder de zetel. Dat had haar nog kwader gemaakt, want ze had er,  al vroeg op de dag stomdronken, twee keer nipt naast gegrepen. Op ramkoers bukte ze zich om het glas vanonder de zetel te scharrelen.

Zo welgemikt als ze in haar toestand maar kon, en onder suspensvolle begeleiding van alleraardigste woorden, keilde ze het glas richting die domme kop van hem. ‘Hier, zie. Ellendig stuk vreten. Twee  weken ben ik hier al. Twee. En nu ga je plots wat staan knipogen naar mij! Als je zo verder doet ben ik hier vandaag nog weg! Voorgoed deze keer! Hoor je dat?’

Geen van beiden hoorden het glas in de diepte breken. Op het kleine terras, waar hij al de hele ochtend druk doende was met wijnkistjes en teelaarde, had het glas rakelings zijn hoofd gemist. Waarna het een ellipsvormige baan naar beneden had vervolmaakt. De onverbiddelijke fysica van uitgewoonde aantrekkingskracht.

Mist belette het zicht, maar er weerklonk geen ijzingwekkende schreeuw beneden. Geen gierende banden. Evenmin min loeiden er sirenes in de minuten die volgden. Wat eerder ongewoon was voor dat deel van de stad, maar waaruit toch  kon worden besloten dat het glas op een veilige plek was neergekomen.

Het meest ongelukkige koppel ter wereld had dan toch nog eens geluk.

klik hier voor deel 3

Bye bye zwaai zwaai (kortverhaal: deel 1 van 6)

Raindrops, Sunset, Window, Depression

1) Wilfred Depauw kon er precies weer tegen. Makkelijk was het allemaal niet geweest, maar hij kon er weer tegen. Pikkedonker was het soms geweest, maar de laatste tijd  kwam de zon zo af en toe eens schuchter piepen doorheen het grijze wolkendek rond zijn hoofd. En dat vond hij wel goed zo.

Het was al lang genoeg donker geweest in die zwaar beladen kop van hem. De rivier die de stad dwars doormidden sneed, lonkte niet langer uitnodigend en verlossend.

Het was hem opgevallen dat de sombere gedachten onder het zachte voorjaarslicht waren bezweken en dat hij terug op de brug kon gaan staan om te genieten van de bootjes, de eendjes, de reiger die er ook altijd zat en de vissen voortdurend in het vizier had. Eindelijk waren ze weg de dagen waarop hij bang was geweest om op de brug te gaan staan, omdat het meanderende water uitnodigend lonkte. Alsof duistere nimfen gebaarden: ‘Kom maar hier! Kom maar in het water! Kom bij ons als je wil vergeten.’

Vergeten was iets waar hij de lokroep van het water niet meer voor nodig had. Naar hartenlust kon hij de ramen en deuren opengooien, om een frisse bries doorheen de duffe kamers in zijn hoofd laten trekken. Gedaan met het hamsteren van ellende.  Er waren zoveel dingen waaraan hij de laatste tijd helemaal niet meer dacht. De vrouw die hem zo graag niet meer zag. Het danig  teleurstellende leven dat hij had gehad. De twaalf stielen en dertien ongelukken. De malchance die hem zo eigen was. Het waren dingen waar hij de laatste tijd nog maar zelden aan dacht.

Het begon hem te dagen dat het deze wereld was die hem zo niet lag. En natuurlijk was het spijtig dat hij er zomaar eventjes veertig jaar had over gedaan om eindelijk tot dat rustgevende inzicht te komen.

Zie je, het zat zo.

Zoetjesaan halverwege  zijn leven kon hij het tij toch niet meer keren, zoveel was zeker. Maar statistisch viel het heel eenvoudig af te lezen dat hij mediaan en gewoon gemiddeld zijn deel van de bittere koek al ruimschoots voorgeschoteld gekregen had. En aldus, voortbordurend op de principes van de logica, kon de resterende helft van zijn leven alleen maar beter zijn.

Eindelijk lagen de kaarten zo dat het leven hem niets meer had te leren. Het was soms bijzonder nipt geweest, zoals die keer dat hij moedwillig, in de hoop verlossing te vinden, ladderzat en met een overdosis pillen languit in een warm bad had gelegen. Om uren later, nog niet eens half dood, bibberend en klappertandend vast te stellen dat het bad tijdens de roes was leeggelopen. Dat was het soort van man die hij was. Niks maakte hij klaar. Niks maakte hij waar. Niks maakte hij af.

Maar inmiddels was de strijd gestreden. De rollen voor eens en voor altijd omgekeerd. Gezien hij hier tegen alle verwachtingen toch nog was, had deze wereld nu met hem te leren leven. Er was tenslotte niet zo gek veel over dat hem nog kon deren.

De ziekelijke God, die bulder lachend en al te kwistig aan de knopjes met ellende zat, had in te zien dat deze jongen gewoon niet klein te krijgen was.

(druk hier voor deel 2)