Hashtag scared and lonely too

tram

bron: pixabay

Dat er nooit iemand anders in haar plaats zou komen had de weduwnaar gezworen. Vooraan in de kerk nog wel, en aan iedereen die het enigszins kon verstaan tussen het gebroken gesnotter door. ‘Ons huis is nu voor altijd te groot,’ had hij mooi en tot tranen toe bewogen de eredienst besloten.

Zij kon de eenzame jaren al lang niet meer op één hand tellen, maar ze was al die tijd blijven hopen dat er ergens op de wereld wel iemand was die van haar houden kon. Ze had al zoveel liefde opgespaard. Soms leek het alsof ze op ontploffen stond: zoveel te geef.

Misschien wel aan hem, dacht ze soms. Die charmante, vriendelijke man. Dagelijks stond hij met een uitnodigend gebaar zijn plekje af aan een stokoude dame, die god weet waar naartoe ging. En hij hield hij zich dan maar recht aan de stang. Ternauwernood soms. Nooit ging het anders op die overvolle tram.

Balancerend als een koorddanser en overgeleverd aan de grillen van de wattman, gleden zijn ogen van tijd tot tijd over het engelachtige wezen dat ze was. Ze had voortdurend haren uit haar ogen weg te blazen bij het lezen. Soms hielp blazen niet. Dan draaide ze het rond twee vingers en in één beweging door verstopte ze de lok vingervlug achter een oor. Zo kon ze weer enkele bladzijden door.

Soms keek ze even op alvorens ze weer in haar boek dook. Hij keek dan weg. Want staren, neen, dat wilde hij niet. Zo was hij niet. En had hij niet plechtig gezworen voor eeuwig en altijd alleen te blijven? Haar angstaanjagende schoonheid was geen aflaat voor verdriet.

Sporadisch kruisten hun blikken. En de manier waarop hij rood op de wangen werd, en de ogen onhandig en telkens te laat naar de grond richtte, daar kreeg ze het warm van. In een wereld waarin ze op haar hoede had te zijn, zag ze dwars door hem heen. Hoogst onzeker en alleraardigst was die man.

Al een tijd liep ze dan ook rond met een plan in  haar hoofd, en een veel te grote handtas voor één boek en een gewone dag op kantoor. Klaar om haar slag te slaan. En die dag leken de sterren haar eindelijk gunstig gezind. De ganse rit al was het gelukt om alleen naast haar handtas te zitten. En toen een tiener zich in de overvolle tram naar het vrije plekje wrong had ze hem kordaat doorverwezen: “Sorry, kerel, deze plaats is niet vrij.”

En de jonge kerel, die -zoals dat hoort voor studenten- overleefde op chronisch slaaptekort en een gebrek aan hygiëne, had zich druk gemaakt.

“Ja voor wie dan?’ snauwde hij haar toe: ”Wie heeft jou chef van de tram gemaakt?’

Zoals dat dan gaat op dagen waarop alles lijkt mee te zitten, wees ze naar de man die net zijn plek had afgestaan aan een stokoude dame, die god weet waar naartoe ging.

“Voor hem.”

De man wendde veel te traag de blik af, en zag hoe ze gebaarde dat er naast haar een plekje voor hem was.

Oh, daar heb je het weer, dacht hij.

Hij dacht aan het bonzen in zijn keel, aan dat weeë gevoel in de onderbuik, aan de prikkeling in zijn voorhoofd. En opnieuw gebaarde ze dat er plaats voor hem was. Opnieuw waren zijn ogen veel te traag.

Oh, nee. Oh, ja. Eindelijk.

Hij stak zijn krant onder de oksel, maakte zich zo smal hij kon en baande zich voorzichtig en verontschuldigend een weg naar de engel verderop.

“Sorry.” “Excuseer!” “Mag ik even?”

Ik vertel gewoon hoe mooi ze is, maakte hij zich gaandeweg sterk. Zich niet bewust van de snaak die op wraak zinde.

Baldadig en op brokken belust tilde hij zijn voet net hoog genoeg om zich van een tuimelperte te verzekeren toen de tram snelheid nam.

Voorovergebogen struikelde de man in haar schoot. “Oh, shit,” hoorde ze hem stamelen. Elk van zijn handen gleed tastend en onhandig over haar borsten, terwijl hij -grabbelend en houvast zoekend- recht probeerde te veren. “Oh, nee,” schudde hij, toen er zich in zijn hoofd een haarscherp beeld vormde van de netelige positie waarin hij verzeild was geraakt. “Neen, neen, neen, zeg alsjeblief dat het niet waar is, niet ik ook,” jammerde de man.

Het was wel waar, maar zij vond dat allerminst erg. Op zich droeg hij de de geur van zeep die haar herinnerde aan haar kindertijd. En ze voelde zich overheerlijk en week vanbinnen. Ze had met haar vingers zijn hoofd willen strelen, om hem gerust te stellen en te zeggen dat het oké was.

De tram kwam aan op de volgende halte. Als een hazewind, en wel duizendmaal sorry roepend, dook hij naar buiten.

Op haar warme schoot schreeuwde de krant van de dag #MeToo.

En dat had je die jonge kerel weer. Hij tikte haar op de schouders.

“Ik denk dat die plaats niet meer bezet is!’

“Zo is dat,” antwoordde ze kribbig: ‘maar ik krab voorwaar je ogen uit als je een poging durft te ondernemen!” Om te tonen dat het haar menens was, gaf ze de stoel naast haar drie bemoedigende kletsen.

Het is onduidelijk hoe de man verder verging. Hij liet zich nooit meer zien. Maar zij neemt nog steeds de tram. Elke dag opnieuw, innig hopend op een tweede kans. En omdat niemand anders het doet staat zij nu haar plaats af aan een stokoude dame, die god weet waar naartoe gaat.

 

Advertisements

4 thoughts on “Hashtag scared and lonely too

  1. Haha…zo gaat dat ja…de sterren waren even gunstig en daarna luisterde de beleefde man er niet meer naar. Is dat sterrenangst? Jammer dat hij zijn lot ontliep…Of komt er nog een kans?

    Like

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

w

Connecting to %s