Bye bye zwaai zwaai (kortverhaal: deel 5 van 6)

 

Clouds, Sun, Sky, Blue, Nature, Summer

5) Winter is niets meer dan een prelude op de zomer. Soms al te langdradig voor  een korte zomer. Soms slechts enkele neerslachtige akkoorden voor een lang uitgesponnen zomer. Je weet het nooit echt vooraf. Al zijn er van die momenten waarop je het denkt te kunnen voelen. Wilfred en Myriam dachten dat ze het konden voelen dat het  wel eens een heerlijk lange zomer kon gaan worden.

Ze hadden elkaar en een soortement tuin van wijnkistjes op het terras. Meer hadden  ze niet nodig. Meer hebben twee geliefden niet nodig. Al in mei hadden ze raapjes kunnen oogsten. Het weer zat mee, zodat ze durfden dromen van een tweede oogst. Niemand die daarin had geloofd, niemand die daaraan had gedacht, niemand die dat had durven hopen.

Dat het er verdomd goed kon zijn. Wilfred dacht het wel vaker, de wijde wereld overschouwend vanop het terras. Soms keek hij dan goedkeurend naar beneden. Naar de kromgetrokken kasseien. Naar de putten in de straat. Waarvan vele er al zo lang lagen dat ze deel uitmaakten van de folklore.  In één, de grootste op het eind van de straat, zo werd beweerd, huisde de burgemeester met het hart van steen. En, o wee, als dat monster je te pakken kreeg, één enkele aanraking was genoeg, dan veranderde je terstond in een brok kalsijde waarmee hij bij nacht en ontij de straat herstelde.

Nu niet dat de burgemeester met het hart van steen een succesvol monster was. Jaar na jaar lag de straat er weer een beetje slechter bij. Maar het verhaal hield de kindekens wel zoet. En het was grappig, want in deze buurt, zou geen echte burgemeester zich ooit vertonen. Goed verteld -op een toontje van ja het zal wel maar let toch maar op- en met de door vitaminentekort wat bleek aandoende kroost dichtbij op de schoot, was de legende bovenal een levensles. Denk eraan, niemand weet jullie wonen. Ge staat er heel alleen voor als je van hier bent en in het leven ergens wil komen!

En toch kon het er goed zijn. Soms zelfs te goed. Pal op het zuiden gericht -zuig daar maar een puntje aan, Piramide van Cheops- was het in de zomer bakken en braden en puffen en  zweten op de terassen. Zo koud het er kon zijn in de winter, zo lamlendig makend warm werd het er in de zomer. Slechts hier en daar was er nog een gestreepte luifel -kleur nogal onbestemd- over uit lang vervlogen en meer hoopvolle tijden.

Het duurde nooit lang of de hele terraskant van de blok veranderde in een pointillistisch spektakel van kleurrijke tegen elkaar aanschurende parasollen. Meestal van biermerken, maar er waren er ook van Ola ijs, Cécémel, Nivea en Ambre Solaire. Of met de naam van het café waar ze ooit eventjes werden geleend.

Onder het schimmenspel van schaduw en zon, klaar en donker, floreerde het tuintje zeventien hoog. Tomaten in alle soorten en maten, radijzen haast als rapen zo groot, courgetten waarmee je een boer van zijn paard kon slaan. Wilfred haalde zoveel energie uit zijn gezonde dieet dat hij zin kreeg in meer. De deprimerende man werd een kerel uit één stuk en met een plan.

Een plan waarmee Myriam hartelijk en schuddebuikend moest lachen. Maar niet meteen. Eerst was ze ontzettend bang geweest en had ze gevreesd voor haar leven. Ze stond neuriend verse worteltjes te schillen en zich af te vragen waar hij uithing. Het was niet van zijn gewoonte, niet meer, om zo lang weg te blijven. Werkelijk alles  dat ze op het aanrecht te pakken kreeg gooide ze in de richting van het monster dat daar met een dampende en glimmende bijenberoker in het deurgat stond. Heer, onze God, bad ze.

Wilfred had haar willen verrassen en droeg, om dat kracht bij te zetten, ook nog een imkerhoed met katoenen beschermsluier, een zak bijentabak onder de arm, ontbloot bovenlijf, en een korte broek met vervaagd paisleymotief  zoals je het alleen nog in tweedehandwinkels vindt.

‘Tadaaaaa, ik ga stadsimker worden, boven op het dak van den blok. Ik begin met drie kasten.’ Het zat in zijn hoofd dat hij dat zo zou gaan zeggen. En hij had zich  ingebeeld dat hij op het eind van tada de armen wijds zou opengooien. Maar hij kwam niet verder dan ta. Zowat de hele uitzet kreeg hij naar zijn kop geslingerd. En duikelend zocht hij dekking onder de tafel. Hij gooide zijn imkerhoed af en riep: ‘Myriam, ‘t is ik.  ‘t Is ik.’

Myriam had even te bekomen met een groot mes nog dreigend in de hand. Maar toen ze besefte dat dat haar leven niet in gevaar was, begon ze uitbundig te lachen terwijl de ruimte zich vulde met rook en geluk.

‘Die doet het precies ook niet meer,’ zei Wilfred, wijzend naar de rookmelder. En toen moesten ze nog nog harder lachen. Ze rolden over de grond van het lachen.

 

Advertisements

9 thoughts on “Bye bye zwaai zwaai (kortverhaal: deel 5 van 6)

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s