Bye bye zwaai zwaai (kortverhaal: deel 4 van 6)

Flowers, Sowing, Growth, Seedlings

4) Toen leek het er op dat zijn geluk van korte duur geweest was. Hij zei het achteraf wel vaker zo, en hij zou het achteraf nog vaker zo zeggen, terugblikkend op het mirakel van zijn wonderbaarlijke wederopstanding.

Eind maart was het al, en diep vanbinnen had hij het opgegeven. Zelfs een eenvoudig stadstuintje was blijkbaar te hoog gegrepen.

Tot hij op een avond het wonder zag. Een wonder in het helderste groen dat licht leek te geven in het donker. Twee miniscule blaadjes wriemelden zich los uit de grond. Niet één, niet twee, niet drie, maar zeven, acht, negen keer. Het leken heldere sterren op de  achtergrond van pikzwarte teelaarde.

‘Myriam, kom kijken naar de sla, kom kijken naar de sla, kom kijken naar de sla!’ Extatisch was hij.

‘Godverdomme, mislukte kust-mijn-kloten, ik lig in bed.’

Dat had Wilfred zelf ook gezien.

‘Ik weet het, maar je moet komen kijken naar de sla. Er is sla! Het is knipsla! Met een beetje geluk genoeg voor heel de zomer!’

Wilfred maakte een vreugdedansje op het bed. En Myriam, tot haar eigen stomme verbazing, schoot niet uit haar krammen. De kinderlijke vreugde waarmee hij op het bed stond te springen had iets ontwapenends. Iets onverwachts. Iets waar ze zich niet kwaad kon over maken. Ok al zag het er compleet belachelijk uit: een grote mens zo rondhuppelend op het bed.

Ze werd stil van het geluk dat zich van hem meester had gemaakt. Die guitige ogen van weleer. Die prachtige, heldere en fonkelende ogen die haar ooit hadden meegelokt naar nachten vol lust en liefde. Het soort van kijkers waaraan geen vrouw kan weerstaan. Het was een eeuwigheid geleden geweest.

‘Moet je me nu echt wakker maken voor knipsla?’

‘Welja, het is een heus mirakel! Blaadjes zo klein, zo breekbaar. Kom kijken. Je gelooft je eigen ogen niet!

Die avond hielden ze van elkaar, zoals ze dat al jaren niet meer hadden gedaan. Het duurde uren voor ze genoeg hadden van elkaar.
Voor ze in slaap viel had ze nog net gezien hoe hij stilletjes was opgestaan en de bak met sla had binnengezet.

‘Je weet maar nooit dat het nog gaat vriezen vannacht. Lieve lieve lieve kleine slaatjes. Wees welkom in ons huis.’

In de dagen die volgden voltrok zich wonder na wonder. Sla, tomaat, paprika. Als je maar lang genoeg stil zat kon je de courgetteplantjes zien groeien. Ze kwamen als laatste uit de grond uit de grond gekropen, maar al na twee dagen waren ze groter dan de rest. Het waren de reuzen van de stadstuin.

En toen arriveerde de brief van de woningmaatschappij, waarin een gecertifeerd ingenieursburo ook dit jaar weer had vastgesteld dat  betonrot de terassen van het flatgebouw had aangevreten. Alsof ooit de kans had bestaan dat het probleem zich intussentijd vanzelf had opgelost.
‘Er is geen direct gevaar, maar in afwachting van de nodige herstellingswerken adviseren we dat u zich niet op het terras begeeft.’

Behalve voor Omar, die wel wat hoogstevrees had en helemaal boven op de hoogste verdieping woonde, gold de brief voor de andere bewoners traditioneel als de aankondiging van de zomer.
De BBQ mocht eindelijk vanonder het stof en de stoeltjes konden opengeklapt. Op geen enkel terras was er ruimte voor meer dan twee klapstoeltjes, een tafeltje, een BBQ en een vuilbak. Dat was het zowat. Maar wie had te overleven in de blokken van het sociaal verhuurkantoor, had echt niet meer nodig dan dat. De mannen konden weer aan de slag, in ontbloot bovenlijf en gewapend met een vleestang en aanmaakblokjes. Waarlijk de koning te rijk. Die terassen waren het volkse equivalent van een privéjacht.

Na een ellendig lange winter met veel onbetaalde rekeningen, deurwaarders en de verwarming op waakstand, konden de mannen eindelijk weer tonen dat ze wel iets waard waren. De brief van de woningmaatschappij veranderde daar bijzonder weinig aan. Integendeel.

Bij Myriam en Wilfred was er zelfs geen plaats meer klapstoeltjes. Het terras was een groene oase geworden. Van de nood een deugd makend schoven ze de schuifdeur wagewijd open en de stoeltjes zo dicht mogelijk bij de rand. Met een beetje goede wil leek het gewoon alsof ze ergens op de buiten zaten.

‘Denk je dat onze plantjes een probleem zijn?’ had Myriam gevraagd.
Wilfred had daar even over nagedacht.
‘Ach, weet ik veel van de zwaartekracht. Ik denk het niet. Al jaren trekt niemand zich iets aan van de brief. En is nog niemand doorgezakt. De maatschappij dekt zich gewoon in tegen schadeclaims. Ik kan me overigens niet inbeelden ons stadstuintje zwaarder is dan den dikken van hierboven met zijn bakken bier. Ik weet het niet. Maar als ik er doorzak, kan je misschien nog trekken van de verzekering .’

Nu ze elkaar terug graag zagen vond Myriam dat een legubere gedachte waar ze liever niet al te lang bij stil stond. Ze wuifde het weg: ‘Doe me daar niet aan denken. Ik durf daar echt niet aan denken.’

Klik hier voor deel 5

Advertisements

One thought on “Bye bye zwaai zwaai (kortverhaal: deel 4 van 6)

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s