Bye bye zwaai zwaai (kortverhaal: deel 2 van 6)

Uiteenvallen, Echtscheiding, Scheiding

2) Bevrijding, inzicht en levenslust. Allemaal goed en wel. Maar als rechtstreeks gevolg van zijn onbeholpen en halfslachtig bestaan ontbrak het de herboren veertiger aan financiële draagkracht voor de obligate en peperdure fratsen van een  doorsnee midlifecrisis.

Zoals daar zijn. Een razendsnelle motor, type cougar magneet. Dat had hij zichzelf  graag cadeau gedaan, maar zulks behoorde helaas niet tot de ronkende mogelijkheden. Logischerwijze was ook het tragere model met dikke banden en een overdaad aan schitterend chroom, type milf magneet, veel te hoog gegrepen. Laat staan dat er ruimte was was voor een simpele koersfiets, type gay magneet.

Zelfs een simpel paar sportsloefen, type helemaal niks magneet, en  de brandende ambitie om als wraak op dit leven met de vingers in de neus zomaar even 100 jaar te worden, kreeg hij onmogelijk geregeld met  die rood aangelopen bankrekening van hem. Bepaald armoedig, dat was de staat van zijn leven. En troosteloos van aanblik.

Gelukkig was er die kalender die hij van zijn schoonouders voor zijn kerst en nieuwjaar cadeau had gekregen.  Een zaaikalender van de natuurvereniging. Heel speciaal voor dak- en stadstuinen nog wel. Het was gewoon de achterbakse manier van zijn schoonouders geweest om hem er nog eens goed met zijn neus in te wrijven. Al dat armoedige leven. Zeventien hoog met beneden de goorste buurt van de stad. Dat allemaal met hun lieftallige dochter ook nog. Hun meiske dat zo veel beter had verdiend dan een depressieve lapzwans.

Dat meiske, zijn vrouw zo nu en dan, Myriam, vond blijkbaar zelf ook wel dat ze beter had verdiend, want ze zocht en vond regelmatig en met overgave troost in de armen van een ander. Al kan niet gezegd worden ze goedkoop was. Ze vond gewoon vaak de ware. Met veel bravoure en zin voor melodrama liet ze Wilfred dan zitten. Niet voor een prins op een wit paard, maar voor een of andere minkukel met een dure wagen. Voor iemand die haar voor eens en voor altijd van de doffe ellende zou verlossen. Voor ze de deur achter zich dichttrok riep ze dan snel nog wat lieve woorden bij elkaar: ‘Kust mijn kloten, ellendige klootzak. Ik krab je ogen uit als ik je ooit nog eens zie.’

En om te tonen dat het hem geen moer kon schelen riep Wilfred haar na met wuivende gebaren: ‘Bye bye, zwaai zwaai, de groetjes en de snoetjes!’

Het terugkeren gebeurde meestal stiller, als een dief in de nacht, maar op dezelfde lieftallige toon: ‘Ben je nu content, klootzak?’

‘Eh, niet echt.’

Gelukkig waren dat allemaal dingen waar hij de laatste tijd niet zo vaak meer aan dacht. Hij stond nu eerder vaststellend in het leven. De ene dag stelde hij vast dat ze er was. De andere dag dan weer was ze er niet.  Een rustgevend evenwicht was onder de vorm van verregaande onverschilligheid neergedaald over ‘huisje weltevree’.

Ze was blijkbaar al even terug, sinds ze op oudejaarsnacht voor de zoveelste keer had besloten om hem -deze keer echt voorgoed- te verlaten, alvorens hij ergens in eind februari had vastgesteld  dat ze er was.

Hij vroeg het zich af: ‘Wel, wel, wel hoe lang is dat serpent al terug?’ Hij had er geen flauw idee van. Het vraagstuk kon hem, eerlijk gezegd, ook niet langer dan een seconde of twee boeien. Hij verkeerde in vaststellings-modus: ‘Wel, wel, wel, kijk eens daar zie: de heks is teruggekeerd op haar bezem.’

Hij had geknipoogd naar haar, al wist hij niet precies waarom. Misschien dat daar zijn kop al begon op te klaren. En daar was ze zo van geschrokken dat ze ze haar glas gin-tonic had laten vallen op het vast tapijt dat volgens het huurcontract onvervreemdbaar bij het appartement hoorde. Het glas rolde tergend traag tot onder de zetel. Dat had haar nog kwader gemaakt, want ze had er,  al vroeg op de dag stomdronken, twee keer nipt naast gegrepen. Op ramkoers bukte ze zich om het glas vanonder de zetel te scharrelen.

Zo welgemikt als ze in haar toestand maar kon, en onder suspensvolle begeleiding van alleraardigste woorden, keilde ze het glas richting die domme kop van hem. ‘Hier, zie. Ellendig stuk vreten. Twee  weken ben ik hier al. Twee. En nu ga je plots wat staan knipogen naar mij! Als je zo verder doet ben ik hier vandaag nog weg! Voorgoed deze keer! Hoor je dat?’

Geen van beiden hoorden het glas in de diepte breken. Op het kleine terras, waar hij al de hele ochtend druk doende was met wijnkistjes en teelaarde, had het glas rakelings zijn hoofd gemist. Waarna het een ellipsvormige baan naar beneden had vervolmaakt. De onverbiddelijke fysica van uitgewoonde aantrekkingskracht.

Mist belette het zicht, maar er weerklonk geen ijzingwekkende schreeuw beneden. Geen gierende banden. Evenmin min loeiden er sirenes in de minuten die volgden. Wat eerder ongewoon was voor dat deel van de stad, maar waaruit toch  kon worden besloten dat het glas op een veilige plek was neergekomen.

Het meest ongelukkige koppel ter wereld had dan toch nog eens geluk.

klik hier voor deel 3

Advertisements

2 thoughts on “Bye bye zwaai zwaai (kortverhaal: deel 2 van 6)

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s